Christelijk-pragmatisch oplossen

Hans Bügel •
<none>

Naar aanleiding van de Vrije-interpretatie ‘Loyaliteitsconflict’[1] ontstond een kort draadje op Bluesky. Daarin werd aangegeven dat het met de kwestie Rijnsburggroep beter zou zijn  daarmee pragmatisch-christelijk om te gaan dan kerkrechtelijk. Ter nadere onderbouwing wordt daarbij aangevoerd dat de Rijnsburggroep  nu eenmaal een feit is en dat de CGK en de Rijnsburggroep elkaar nog nodig hebben. De angst bestaat dat door een juridische en kerkrechtelijke benadering het uitloopt op een juridisch conflict tussen de CGK en de Rijnsburggroep. Er valt zeker begrip op te brengen voor de geuite bezorgdheid. Die is herkenbaar en wordt ook breder binnen de CGK gedeeld en geproefd. Toch is het in het belang van de continuïteit, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, dat de CGK zorgvuldig met haar taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden omgaat. Naast het feit dat de CGK uiteraard een geloofsgemeenschap is waarvan geduld en verdraagzaamheid belangrijke kenmerken zijn, beschikt zij ook over vermogen en is zij dus drager van rechten en plichten. Zij is verantwoordelijk voor een goed beheer van dat vermogen, waaronder de werkgelegenheid van mensen. De keuze van de Rijnsburggroep om op principiële gronden zich aan het kerkverband te onttrekken, heeft zonder meer pragmatische gevolgen voor de CGK in het algemeen, maar voor bijvoorbeeld de TUA, zending en emeritikas wellicht in het bijzonder. Dat is een gevolg van gemaakte keuzes.

Kerkrechtelijke status 
In het bijzonder van belang is dat, hoewel de Rijnsburggroep zich als een collectief presenteert inclusief een eigen vergaderstructuur, zij geen kerkelijke status heeft binnen de CGK op basis van de kerkorde. De CGK kent slechts vier kerkelijke vergaderingen, zijnde de kerkenraad, classis, particuliere synode en generale synode.[2] De CGK kent geen andere vergaderingen, zodat de Rijnsburggroep daarom evenmin kan worden aangemerkt als een kerkelijke vergadering van de CGK. Ook kent de CGK geen facties van kerken die zich als een collectief presenteren of opereren binnen de CGK. De Rijnsburggroep is daarom ook niet aan te merken als een zelfstandig onderdeel van de CGK, omdat de kerkorde de Rijnsburggroep niet kent als zelfstandig onderdeel van de CGK. De criteria die bepalen of sprake is van een zelfstandig onderdeel moeten namelijk voortvloeien uit het statuut van de CGK, dat wil zeggen haar kerkorde.[3] Bovendien geldt dat de Rijnsburggroep niet als onderdeel van een kerkgenootschap kan worden aangemerkt,  omdat de CGK zelf haar niet als onderdeel beschouwt.[4] Voorkomen moet worden dat hierover onduidelijkheid ontstaat doordat de CGK met de Rijnsburggroep gaat onderhandelen over vermogensverdeling of uittreding. Zulke onderhandelingen wekken namelijk de indruk dat de CGK de Rijnsburggroep aanmerkt als een zelfstandig onderdeel met eigen rechten. Het is voor de rechtszekerheid binnen de CGK van belang dat hierover geen onduidelijkheid wordt gecreëerd door de CGK zelf; zaken die de kerken namelijk in het algemeen aangaan, behoren te worden behandeld in de meerdere vergaderingen,  zoals de kerkorde die kent en bovendien op kerkelijke wijze.[5] Door als Deputaatschap of moderamen buiten deze vergaderingen om met de Rijnsburggroep in onderhandeling te treden, schendt het zijn eigen kerkorde. Dat kan door de Rijnsburggroep als indicatie worden beschouwd dat de CGK de parallelle bestuursstructuur erkent. Het feit dat de Rijnsburggroep de naam van de CGK gebruikt in haar communicatie schept op zichzelf al verwarring, maar geeft ook de pretentie van de Rijnsburggroep weer; zij beschouwt zich als CGK en daarmee minstens als een onderdeel van de CGK.

Precedentwerking 
Het gaat er niet om dat er niet met de Rijnsburggroep gesproken mag worden, integendeel; echter, die gesprekken moeten plaatsvinden in de meerdere vergaderingen van de CGK en in het bijzonder in de generale synode, alwaar alle 181 CGK-kerken geacht worden vertegenwoordigd te zijn, dus ook de Rijnsburggroep. Dit laatste is ook van belang voor de rechtsgelijkheid binnen de CGK. Immers, de Rijnsburggroep vertegenwoordigt weliswaar een substantieel aantal CGK-kerken, maar haar aantal kan op zichzelf geen maatstaf zijn waarom zij tot formele gesprekspartner binnen de CGK zou moeten worden erkend, die buiten de kerkelijke structuur van de CGK opereert. Als de Rijnsburggroep zich mag onttrekken aan de organisatie van de CGK dan staat het andere kerken eveneens vrij om zich daaraan te onttrekken en vervolgens zich als formele gesprekspartner van CGK op te stellen. En andere facties dan de Rijnsburggroep zijn op zichzelf niet ondenkbeeldig als bijvoorbeeld samenwerkingsgemeenten zich ook collectief  zouden onttrekken aan de CGK zonder daartoe formeel te besluiten. Dat impliceert dat de CGK ook die factie als gesprekspartner zou moeten aanvaarden. Het gevolg daarvan is dat de eigen vergaderstructuur door de CGK zelf zou worden ondermijnd. Dat schaadt de rechtszekerheid, omdat CGK-kerken die zich niet onttrekken aan de CGK, noch zich binnen de CGK in een factie verenigen, geen invloed, inzicht en inspraak hebben op de parallelle overlegstructuur. Het is onder meer om deze redenen dat het niet aanvaardbaar is als deputaatschappen gehoor geven aan het verzoek van de Rijnsburggroep. Met andere woorden, wanneer de generale synode of de daartoe bevoegde deputaten met een groep een financiële uittredingsregeling zou treffen, staat de deur open voor elke andere ontevreden gemeente om exact dezelfde faciliteiten te verlangen. Het kerkverband zou zichzelf daarmee financieel en organisatorisch kunnen uithollen.

Gevolgen 
In financiële zin moet bedacht worden dat wanneer het vermogen van de CGK wordt verdeeld, het niet ondenkbeeldig is dat de CGK hogere hoofdelijke omslagen zal moeten vaststellen om de CGK financieel gezond te houden. Uiteindelijk komen de resultaten van de verdelingsafspraken bij de gemeenteleden van de CGK terecht, die daarvoor de rekening gepresenteerd krijgen. Het is een verantwoordelijkheid van de kerkelijke vergaderingen om ook dat belang in het oog te houden. Te hoge hoofdelijke omslagen zijn mogelijk niet op te brengen, zodat op termijn de continuïteit van de CGK in gevaar kan komen met alle mogelijke gevolgen, zoals ontslag van personeel en het stoppen van missionaire projecten. Die hogere omslagen kunnen kerken doen besluiten om het kerkverband te verlaten om zich bij een ander kerkverband aan te sluiten. Dan ontstaat er een zichzelf versterkend proces dat uiteindelijk zelfs het voortbestaan van de CGK, waaronder ook de TUA, in gevaar kan brengen. In organisatorische zin betekent dit dat de CGK in feite zelf haar eigen vergaderstructuur ontmantelt, doordat zaken die op meerdere vergaderingen op kerkelijke wijze behoren te worden  behandeld, niet meer plaatsvinden. Dat heeft als resultaat dat de Rijnsburggroep bevestigd wordt in haar standpunt dat de meerdere vergaderingen niet meer zouden functioneren, ondanks het feit dat dit niet functioneren niet komt door haar eigen bedachte argumenten, maar omdat de CGK zelf die vergaderstructuur niet meer hanteert althans niet meer volledig hanteert. Ook dat schaadt de rechtszekerheid en rechtsbescherming binnen de CGK, omdat aan de meerdere vergaderingen macht en gezag worden ontnomen, die haar in de kerkorde gegeven zijn. Daardoor weten kerkmensen en mindere vergaderingen niet hoe zij kunnen worden beschermd en waar zij die bescherming kunnen vinden. Ook om deze redenen heeft de CGK de plicht om de kerkelijke vergaderingen in stand te houden en uitsluitend overeenkomstig artikel 30 K.O. te vergaderen. Alleen dan wordt voorkomen dat de CGK van binnenuit wordt uitgehold en de CGK als organisatie niet implodeert met grote gevolgen voor bijvoorbeeld  TUA, emeritikas, zending en evangelisatie. En daarom is het redelijk en niet te veel gevraagd dat deputaatschappen en deputaten, maar ook de generale synode geen gehoor geeft aan de verzoeken van de Rijnsburggroep. Zij zijn verantwoordelijk voor het geheel van de CGK, dat wil zeggen alle 181 kerken, inclusief de Rijnsburggroep.

Missio Dei
Bij dit alles moet bovendien worden bedacht dat de Rijnsburggroep zichzelf onverplicht aan de CGK heeft onttrokken op basis van haar zelf bedachte narratief dat de gewone meerdere vergaderingen niet meer rechtsgeldig zouden kunnen samenkomen, omdat de kerkordelijke basis krachteloos zou zijn geworden en niet meer zou functioneren.[6] Dat dit niet klopt, blijkt alleen al uit het feit dat meerdere vergaderingen ineens wel rechtsgeldige besluiten kunnen nemen als dat noodzakelijk is voor zaken als emeritering, overkomst en vertrek van predikanten en classisexamens voor kandidaten en dus het eigenbelang van de Rijnsburggroep dient.[7] Die vrijwillig gemaakte keuze van de Rijnsburggroep, om eenzijdig de rechtmatigheid van de meerdere vergaderingen selectief niet langer te erkennen, brengt tegelijkertijd ook met zich mee dat zij niet langer medeverantwoordelijkheid draagt  voor de aan de deputaatschappen gegeven opdrachten en voor de voortgang van de gezamenlijke arbeid. Immers, de CGK heeft die verantwoordelijkheid opgedragen aan de meerdere vergaderingen in het algemeen en aan de generale synode in het bijzonder. De kerken van de CGK brengen hun gezamenlijke verantwoordelijkheid bijeen in de vergadering van de generale synode en op geen enkele andere wijze. Het is het gevolg van de door de Rijnsburggroep zelf gemaakte keuze om zich te onttrekken aan de structuur van de CGK. Er zijn noch kerkrechtelijke noch civielrechtelijke argumenten die aan de Rijnsburggroep enige aanspraak op of mede verantwoordelijkheid geeft voor de organisatie en het vermogen van de CGK. En die keuze van de Rijnsburggroep staat een christelijke-pragmatische oplossing in de weg. De werkelijke christelijke-pragmatische oplossing kent namelijk twee varianten; de Rijnsburggroep onttrekt zich formeel aan de CGK, omdat zij, om haar moverende principiële redenen, zich niet langer kan verbinden aan de CGK; of de Rijnsburggroep keert terug in de boezem van de CGK. In de eerste variant is de logische consequentie dat zij geen rechten meer kan doen gelden op vermogensbestanddelen van de CGK, zoals de emeritikas en de TUA, net zo goed als dat zou gelden als slechts een enkele gemeente zich aan de CGK zou onttrekken. Er is geen enkel verschil of een enkele plaatselijke kerk onverplicht ervoor kiest om het kerkverband te verlaten of dat er sprake is van een grotere groep van kerken die dat doet. Dat is de prijs die zij betaalt voor haar onttrekking. Sterker nog, haar keuze om zich aan de CGK te onttrekken, kan ook verstrekkende gevolgen hebben voor de CGK zelf, die de Rijnsburggroep bewust op de koop toe neemt. Als zij meent dat haar principiële keuze die gevolgen waard is, zal zij die moeten aanvaarden. Wanneer zij van oordeel is dat haar keuze die gevolgen niet waard is, zal zij moeten terugkeren op haar schreden en zich weer moeten voegen in de CGK, binnen de geldende structuren van de CGK. Als de gevolgen van haar principiële keuze moeten worden afgewend door op allerlei gebieden te komen tot afspraken over samenwerking, roept dat serieus de vraag op hoe principieel de keuze van de Rijnsburggroep werkelijk is. Principes kosten geld. Als die principes het geld niet waard zijn, is er eerder sprake van een eigenzinnige keuze. Aan de Rijnsburggroep kan de vraag gesteld worden of haar keuze om zich te onttrekken aan de CGK te rechtvaardigen valt, als een onttrekking per saldo meer schade toebrengt aan de missio Dei dan wanneer deze missie wordt gediend door de gezamenlijke kerken binnen de CGK. Dat is naar de kern genomen een gewetensvraag. Voor de CGK zou moeten gelden dat zij de Rijnsburggroep oproept tot en aanspoort om terug te keren  binnen de CGK, omdat ongetwijfeld van daaruit de grootste bijdrage kan worden geleverd aan de missio Dei. Die bijdrage komt onder druk te staan of neemt af als de onttrekking gevolgen blijkt te hebben voor de zending, TUA en emeritikas. Terugkeer binnen de CGK bevordert ook de vrede en voorkomt verdere wanorde, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] https://vrije-interpretatie.nl/loyaliteitsconflict; 
[2] Artikel 29 K.O.
[3] Santing-Wubs, A.H. (2002) Hst. 3. (z.d.-b). https://kerkrecht.nl/node/2858/, p.27
[4] HR, 30-10-1987, NJ 1988, 392, r.o. 3.2, Stichting Sint Laurens Ziekenhuis 
[5] Artikel 30 K.O.
[6] Redactie CG Beraad & Redactie CG Beraad. (2025, 20 juni). De huidige kerkelijke situatie  – vragen en antwoorden. Christelijk Gereformeerd Beraad. https://www.cgberaad.nl/de-huidige-kerkelijke-situatie-vragen-en-antwoorden/ 
[7] idem

Reacties & Discussie ↓

Reactie toevoegen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.