De redacteur van het Nederlands Dagblad, Hilbert Meijer, vindt het opmerkelijk dat professor Selderhuis, hoogleraar kerkrecht in Apeldoorn, tot de conclusie komt dat vrouwelijke ambtsdragers kunnen worden afgevaardigd naar regionale en landelijke kerkvergaderingen van de Christelijke Gereformeerde kerken. Zo opmerkelijk is dat echter niet. Wel is het opmerkelijk dat het nu ineens te berde wordt gebracht. Wat daarvan ook verder zij, de conclusie van Selderhuis is niet verrassend maar overeenkomstig het geldende kerkrecht. In een eerdere Vrije-Interpretatie is hiervoor ook al aandacht gevraagd. 

 

Vergadering van kerken

Een classis, provinciale of particuliere synode en generale synode zijn zogenaamde meerdere vergaderingen. Dat wil zeggen vergaderingen waar meerdere kerken vertegenwoordigd zijn. De kerken vergaderen. Een meerdere vergadering is, zoals Professor Greijdanus schreef, ‘een vergadering die bestaat uit afgevaardigden door delegatie’. En de afgevaardigden komen daar niet op grond van hun ambt, maar zijn daar ter vergadering vanwege hun afvaardiging namens hun plaatselijke kerk. In dit verband refereert Greijdanus aan Voetius die opmerkte: “De dienaren komen echter tot de classisvergaderingen niet krachtens hun eigen ambt, of uit kracht van onmiddellijk recht, maar door het positieve recht, volgens de constitutie en afvaardiging van kerken”. Daarmee zegt Voeitus dat het kerkrecht voor het afvaardigen naar meerdere vergaderingen gebruikmaakt van een rechtsfiguur naar geldend Nederlands recht, die in de kerkorde is verwerkt. Vandaag de dag zou misschien gezegd kunnen worden dat het gereformeerde kerkrecht gebruikmaakt van de rechtsfiguur van de volmacht. Het is daarom ook niet voor niets dat de afgevaardigden op een classisvergadering altijd, voorafgaande aan de vergadering, zich in feite moeten legitimeren door een zogenaamde lastbrief te overleggen aan de kerk die de vergadering van de kerken bijeenroept. In die lastbrief staat wie naar de vergadering is afgevaardigd om de plaatselijke kerk in de vergadering te vertegenwoordigen. 

 

Kwaliteit

De keuze dat afgevaardigden allemaal ambtsdragers zijn, heeft te maken met het feit dat ambtsdragers over kennis beschikken inzake Schrift, belijden en kerkorde. Hoe er kerkelijk moet worden gehandeld vereist kennis. Om de kwaliteit van de vergaderingen te waarborgen, is daarom de eis gesteld dat een afgevaardigde de hoedanigheid van ambtsdrager heeft. Bovendien is het ook het meest praktisch, omdat  bij ambtsdragers, en dus binnen de kerkenraad, kennis beschikbaar is over het wel en wee van de plaatselijke kerk. Echter, de hoedanigheid van ambtsdrager brengt niet met zich mee dat de ambtsdrager zijn bevoegdheden van zijn ambt in de meerdere vergadering meebrengt en gebruikt. De ambtsbevoegdheid en -gezag van ambtsdragers strekken zich uit, maar beperken zich gelijktijdig ook tot de plaatselijke kerk. Het is vervolgens aan de plaatselijke kerk zelf om te bepalen wie zij afvaardigt. Uit de kring van de kerkenraad vaardigt hij onder meer een ouderling af. Daarbij is het voor de afvaardiging dus  niet relevant of die ambtsdrager vrouw of man is. Voorwaarde om een plaatselijke kerk te kunnen vertegenwoordigen is dat de afgevaardigde ambtsdrager is in de plaatselijke kerk die afvaardigt. Het geslacht van de afgevaardigde doet er dan dus niet toe.

 

Terecht punt

Daarnaast heeft Selderhuis ook een terecht punt wanneer hij stelt dat de laatst gehouden synode ‘geheel onterecht’ heeft uitgesproken dat een Nederlandse Gereformeerde ambtsdrager van een samenwerkingsgemeente niet kan worden afgevaardigd naar een classisvergadering of welke meerdere vergadering dan ook. Immers, ook hier geldt dat een Nederlandse Gereformeerde ambtsdrager in een samenwerkingsgemeente een ambtsdrager is die in zijn samenwerkingsgemeente volledig bevoegd is in zijn ambtsuitoefening. Zijn gezag en bevoegdheden strekken zich ook uit over de gemeenteleden die tot het smaldeel van de Christelijke Gereformeerde kerken behoren. Daarmee voldoet de Nederlandse Gereformeerde ambtsdrager aan de voorwaarde om te kunnen worden afgevaardigd. 

 

Niet te gek

Het is dus dan ook niet ‘te gek’ dat kerken, die behoren tot het kerkverband, hun vrouwelijke of Nederlandse Gereformeerde ambtsdragers mogen afvaardigen. Als Selderhuis oproept tot bezinning over het gereformeerd kerkrecht is het niet te hopen dat die bezinning zich zou toespitsen op het wijzigen van de kwaliteit van de afgevaardigden. Immers, die wijziging zou er dan in moeten bestaan dat afgevaardigden niet alleen hoedanigheid van ambtsdrager zouden moeten hebben, maar ook bijvoorbeeld de kwaliteit van man en/of christelijk gereformeerd. Dat zijn onderscheidingen die niet relevant zijn voor het vertegenwoordigen van de plaatselijke kerken en het beperkt de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken onnodig, terwijl de inperking in feite discriminatoir van aard is. 

 

Logisch en consistent

Het is dus logisch en consistent dat in het gereformeerde kerkrecht geen andere eisen worden gesteld aan afgevaardigden naar meerdere vergaderingen dan wat echt noodzakelijk is, namelijk: het zijn van ambtsdrager. Dat laat onverlet dat van plaatselijke kerken in hun keuze tot afvaardiging fijngevoeligheid mag worden verwacht. Daarbij moet steeds rekening worden gehouden met het doel van het kerkrecht en de kerkelijke samenwerking binnen het kerkverband. De vrede in de kerken moet gediend worden. Als afgevaardigden naar meerdere vergaderingen bij andere afgevaardigden toch op (gewetens)bezwaren zouden stuiten, doet dat de kerkelijke vergaderingen geen goed, maar ook de afgevaardigden zelf niet. Van kerken binnen het kerkverband mag worden verwacht dat zij - over en weer - niet alleen rekening houden met hun eigen belang, maar ook met dat van anderen. Immers, steeds geldt: onze God is geen God van wanorde, maar van vrede. 

 

Subscribe for updates on all content.

Protected by Spam Master

Met instemming en waardering heb ik dit artikel gelezen.

Terecht constateert mr. Bügel dat het man-zijn voor een afgevaardigde naar een CGK-classis of synode kerkrechtelijk bezien geen vereiste is. Voor de vrede in de kerken is het echter wel van belang hiermee fijngevoelig om te gaan. Formeel kerkrechtelijk lijkt er dus tussen het standpunt van prof. Selderhuis en mr. Bügel geen verschil te bestaan. 

Toch is het artikel van prof. Selderhuis – anders dan mr. Bügel schrijft - wel opmerkelijk. Blijkens een interview in het Reformatorisch Dagblad  heeft de auteur heel veel reacties op zijn artikel gehad en werd de vrees uitgesproken dat hij het sturen van vrouwelijke ouderlingen of diakenen naar classisvergaderingen promootte.  Hij werpt deze kritiek echter ver van zich, want hij vindt het ongepast als er zusters naar kerkelijke vergaderingen worden afgevaardigd.

Waarom dan toch dit artikel?  In het interview zegt hij de situatie beroerd te vinden en bezinning te wensen. We moeten nadenken over de balans tussen plaatselijke kerken en het kerkverband.  Hij denkt hierbij aan een bezinningsconventie van afgevaardigden uit alle kerken In verder verband noemt hij ook het idee van een ‘kerkelijke herverkaveling’. Dus een scheuring. Zo zou ieder op zijn wijze mogelijk gereformeerd kunnen zijn, zo stelt hij.. ‘In plaats van zo veel energie te stoppen in een discussie die veel kost en weinig oplevert?’ 

Dit alles is m.i. toch wel opmerkelijk. Mijn vraag is of het niet veel beter is om te accepteren dat wij in deze bedeling met onderlinge verschillen moeten leven. Het liefdesgebod is voor christenen dominant en het gebod tot eenheid niet veel minder. 

 

 

Reactie toevoegen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
Protected by Spam Master

Met instemming en waardering heb ik dit artikel gelezen.

Terecht constateert mr. Bügel dat het man-zijn voor een afgevaardigde naar een CGK-classis of synode kerkrechtelijk bezien geen vereiste is. Voor de vrede in de kerken is het echter wel van belang hiermee fijngevoelig om te gaan. Formeel kerkrechtelijk lijkt er dus tussen het standpunt van prof. Selderhuis en mr. Bügel geen verschil te bestaan. 

Toch is het artikel van prof. Selderhuis – anders dan mr. Bügel schrijft - wel opmerkelijk. Blijkens een interview in het Reformatorisch Dagblad  heeft de auteur heel veel reacties op zijn artikel gehad en werd de vrees uitgesproken dat hij het sturen van vrouwelijke ouderlingen of diakenen naar classisvergaderingen promootte.  Hij werpt deze kritiek echter ver van zich, want hij vindt het ongepast als er zusters naar kerkelijke vergaderingen worden afgevaardigd.

Waarom dan toch dit artikel?  In het interview zegt hij de situatie beroerd te vinden en bezinning te wensen. We moeten nadenken over de balans tussen plaatselijke kerken en het kerkverband.  Hij denkt hierbij aan een bezinningsconventie van afgevaardigden uit alle kerken In verder verband noemt hij ook het idee van een ‘kerkelijke herverkaveling’. Dus een scheuring. Zo zou ieder op zijn wijze mogelijk gereformeerd kunnen zijn, zo stelt hij.. ‘In plaats van zo veel energie te stoppen in een discussie die veel kost en weinig oplevert?’ 

Dit alles is m.i. toch wel opmerkelijk. Mijn vraag is of het niet veel beter is om te accepteren dat wij in deze bedeling met onderlinge verschillen moeten leven. Het liefdesgebod is voor christenen dominant en het gebod tot eenheid niet veel minder. 

 

 

Reactie toevoegen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
Protected by Spam Master