Loyaliteitsconflict
Wat voor de komende generale synode van de CGK wellicht de grootste uitdaging vormt, is hoe zij omgaat met een mogelijk loyaliteitsconflict van afgevaardigden en deputaten. Vanuit verschillende gremia van de TUA, zoals het curatorium, en vanuit de Rijnsburggroep zelf komen berichten die inspelen op het conflict van loyaliteit. De verleiding om, op grond van loyaliteit, de Rijnsburggroep te erkennen als een kerkelijke beweging binnen de CGK, valt weliswaar te begrijpen, maar bagatelliseert dat er sprake is van openlijke scheurmakerij van de Rijnsburggroep, die de vrede in de kerken en de missio Dei van de plaatselijke kerken schaadt. De betrokkenen bij de generale synode doen er verstandiger aan de Rijnsburggroep aanhoudend op te roepen in de boezem van de CGK terug te keren en zich te verzoenen om daardoor de vrede in de kerken en de missio Dei te dienen.
Loyaliteitsconflict
In het licht van de missio Dei kan er in feite nauwelijks sprake zijn van een loyaliteitsconflict. De Rijnsburggroep heeft zich namelijk vanuit Paulinische verdraagzaamheid en de visie op kerkrecht als vredesrecht, op oneigenlijke gronden afgescheiden; naar de kern genomen wijst zij deze verdraagzaamheid af en kiest zij voor legalistisch kerkrecht in de manier waarop zij synodebesluiten wil handhaven, in het bijzonder inzake ‘vrouw en ambt’. En daarmee rechtvaardigt zij haar bewuste keuze om het kerkelijke gezag van de CGK niet langer te erkennen. Ontegenzeggelijk doorkruist deze afscheiding van de Rijnsburggroep jarenlange collegiale relaties en kunnen er menselijke sympathie en schuldgevoelens zijn over hun herkenbare roep om strikte handhaving van synodebesluiten. Deze loyaliteit is in menselijk opzicht begrijpelijk, maar is om kerkordelijke, bestuurlijke en financiële gronden onterecht om zich daardoor te laten leiden. Het handelen van de Rijnsburggroep is niet anders dan openlijke scheurmakerij. Daarom is het ongeoorloofd dat een afgevaardigde van de synode, of wie dan ook die belast is met een kerkelijke taak, ingaat op verzoeken of opdrachten van de Rijnsburggroep; zij staan immers uitsluitend in dienst van de CGK. Een tweestrijd in het geweten mag er niet toe leiden dat men twee heren gaat dienen. Wie deze bestuurlijke integriteit binnen de CGK niet kan opbrengen, moet, in het belang van de kerken, zijn functie neerleggen. Gebeurt dat niet, dan is de kans groot dat er compromissen worden gesloten die de CGK bestuurlijk, financieel en organisatorisch kunnen schaden. Dat kan, onbedoeld wellicht, aan de ontregeling van de inzet voor en de bijdrage aan de missio Dei door de CGK bijdragen.
Huisregels en vrede
Het uiteengaan van de Rijnsburggroep is helemaal niet nodig als zij de krampachtigheid zou laten varen door kerkrecht als waarde(n)volle regels te zien en niet als recht. Kerkelijke regels zijn namelijk eerder huisregels dan wetsregels. Vrijwel alle gezinnen hebben thuis regels over van alles en nog wat en zij willen ook dat iedereen zich aan die afspraken houdt, maar de ervaring leert dat het soms gebeurt dat het beter is om er minder strak aan vast te houden, omdat het anders onredelijk wordt, er verbittering optreedt of dat het in algemene zin niet bevorderlijk is voor de betrokkenen dan wel de vrede in huis. Dan plooit men zich en laat men iets toe of gedoogt men iets. Dat is een kwestie van geven en nemen, maar vooral van belang opdat iedereen binnen het gezin tot zijn of haar recht komt, zonder dat het per se ten koste gaat van de orde in het algemeen. Het dient de vrede binnen het gezin, waarbij wel steeds rechtsgelijkheid en rechtszekerheid gewaarborgd moeten zijn. Willekeur en rechtsongelijkheid verstoren namelijk die vrede. En het betekent ook niet dat de regels slechts etiquetteregels zijn, die niet of nooit afdwingbaar zijn. Integendeel, de huisregels zijn ervoor bedoeld om binnen het gezin alles in goede orde te laten verlopen, elk gezinslid veiligheid en geborgenheid te bieden. Er moet uiteraard worden ingegrepen als de vrede wordt bedreigd, de veiligheid in het geding is of de geborgenheid wordt aangetast. En gezinsleden die het gezag ondermijnen, moeten dan ook weer tot de (gezins)orde worden geroepen, desnoods met sancties. Met de kerkorde is het in feite ook zo gesteld. In de toelichting van Rutgers op artikel 1 K.O. wordt het kerkrecht nadrukkelijk niet als een absolute, dwingende wet - fast rules - gepresenteerd, maar als een flexibel instrument - soft rules - om de orde en vrede te bewaren.[1] Rutgers stelt expliciet dat een wet altijd dwingend is en niemand zich daaraan kan onttrekken, maar dat de kerkorde wel uitzonderingen toelaat. De kerkorde maakt duidelijk dat afwijken geoorloofd is. Overtreding van de kerkorde is niet per definitie af te keuren, zolang de plaatselijke orde maar niet wordt verstoord. Het motief voor een afwijking moet altijd het beter bewaren van de orde in de kerk zijn. De kerkorde bestaat voornamelijk uit menselijke bepalingen, die het geweten, gegrond op Gods Woord, niet rechtstreeks mag binden.[2] Dit in tegenstelling tot de Schrift en belijdenis, die de kerken bij uitstek binden.
Vredesrecht versus legalisme
Hoewel Rutgers ook duidelijk maakt dat men niet mag handelen uit "individualistische willekeur", moet men zich volgens Rutgers eveneens onderwerpen aan de uitspraak van de kerkenraad, classis of synode bij een geschil over een afwijking. Toch is er een principieel verschil tussen Rutgers en het synodebesluit over ViA van de Synode Dordrecht - Nunspeet en de opvatting van de Rijnsburggroep op dit punt. De generale synode van 2022 heeft het gereformeerde kerkrecht, zoals geleerd door Rutgers en verankerd zijn in de artikelen 7 en 32 van Nederlandse Geloofsbelijdenis, in feite omgedraaid. Er is sprake van een botsing tussen twee uitgangspunten, het kerkrecht als (lokaal) vredesrecht - van Rutgers en de NGB - versus het synodale legalisme van de Generale Synode 2022 en de Rijnsburggroep. Volgens Rutgers kan afwijken van een synodebesluit kerkrechtelijk legitiem zijn en kan het zelfs heilzaam zijn wanneer de strikte handhaving van een regel de plaatselijke eenheid en eendracht zou aantasten. Het kerkrecht is immers een instrument om de vrede te dienen, geen keurslijf. De generale synode 2022 heeft die orde omgedraaid. Zij heeft lokaal afwijken in algemene zin bestempeld als “zonde” die vraagt om “bekering”. Daarmee heeft de synode haar eigen menselijke besluit tot op het niveau van het goddelijk Woord gebracht. Daardoor dwingt zij plaatselijke kerken, in strijd met het geweten gegrond op Gods Woord, haar besluit strikt na te leven. Dergelijke redeneringen – waarbij eigenmachtig hiërarchisch optreden wordt gelegitimeerd onder de dekmantel van 'eenheid' – deugen kerkrechtelijk niet en werken de broodnodige verdraagzaamheid actief tegen. Door een legalistische interpretatie van het kerkrecht wordt juist de wanorde gecreëerd die men zegt te willen bestrijden.
Kromme redeneringen
En de Rijnsburggroep is vervolgens daarin niet consequent doordat zij synodebesluiten voor vast en bondig houdt waarvan zij weet dat die in strijd zijn met de kerkorde en in het bijzonder artikel 50 K.O.. Zij houdt - tegen beter weten in - bewust vol dat onder andere het synodebesluit van 3 juni 2025 rechtsgeldig zou zijn om daarmee haar afscheidingsbeweging te kunnen rechtvaardigen. Ze heeft er geen moeite mee om enerzijds van anderen te eisen om zich aan alle synodebesluiten strikt te houden om vervolgens zelf de kerkorde met voeten te treden als haar dat beter uitkomt. Op basis van haar kromme redeneringen weigert de Rijnsburggroep vervolgens de kerkelijke vergaderingen van de CGK te bezoeken en betwist zij de legitimiteit van die vergaderingen. Tegelijkertijd beweert zij de CGK te zijn, terwijl dat evident niet het geval is, noch naar gereformeerd kerkrecht noch naar burgerlijk recht. Waar zijzelf van anderen strikte nakoming van synodale besluiten eist, veroorlooft zij zich anarchie door de rechtsgeldigheid van kerkelijke vergaderingen van de CGK zonder deugdelijke gronden te betwisten, zich ook aan die vergaderingen onder dat mom te onttrekken en haar eigen kerkbeweging te rechtvaardigen. Daarvoor worden misleidende argumenten gehanteerd zoals dat kerken telkens, voorafgaande aan een meerdere vergadering, opnieuw de keuze zouden hebben om te beslissen of zij daarheen zouden gaan. Nog misleidender is de onjuiste suggestie dat het de meerdere vergaderingen zelf zouden zijn die over de plaatselijke kerken zouden heersen door te beslissen dat zij in hun opdracht bijeen zouden moeten komen in een meerdere vergadering. Daarmee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat die vergaderingen bijeenkomsten opleggen aan plaatselijke kerken, terwijl dat uiteraard niet het geval is.[3] Op die manier probeert de Rijnsburggroep haar handelen te rechtvaardigen.
Buiten de kaders van de CGK
En binnen deze context moet de conclusie zijn dat de Rijnsburggroep zich met haar beweging willens en wetens buiten de kaders van de CGK-kerkorde beweegt en daarmee geen onderdeel is van de CGK, maar een nieuw kerkgenootschap dat op een andere grondslag is gebaseerd dan de CGK; namelijk op de grondslag van de vierslag, in plaats van de klassiek-Christelijke Gereformeerde grondslag van Schrift en belijdenis. Wie zich dat realiseert, beseft ook dat uit loyaliteit voldoen aan het verzoek van de Rijnsburggroep om de rapportages van deputaatschappen en commissies ook aan de vergadering van de Rijnsburggroep te sturen, onjuist is. Het argument dat de Rijnsburggroep daarvoor gebruikt, is zowel feitelijk als kerkrechtelijk onjuist en misleidend. Deputaatschappen hebben namelijk niet een instructie van de afzonderlijke kerken ontvangen, maar van de gezamenlijke kerken die samenkomen in en vertegenwoordigd worden door de generale synode van de CGK. Die generale synode vertegenwoordigt alle 181 kerken, voor zover die kerken zich niet aan het kerkverband hebben onttrokken. Het is dus ook eenvoudigweg niet waar dat de vergadering van de Rijnsburggroep een deel van de CGK-kerken zou vertegenwoordigen, integendeel. Alle CGK-kerken worden vertegenwoordigd door de generale synode van de CGK en door niemand anders, en zeker niet door de Rijnsburggroep, ook niet voor een klein gedeelte. Evenzeer is ongepast dat de Rijnsburggroep oneigenlijke vragen voorlegt aan deputaatschappen en commissies die zien op het eventueel gezamenlijk voortzetten van verantwoordelijkheden, of het splitsen daarvan dan wel het beëindigen van die verantwoordelijkheden. Dat is ongepast, want deputaatschappen en commissies kunnen deze vragen niet beantwoorden; voor zover deze vragen al aan de orde zouden zijn, wat niet het geval is, zijn dit vragen die uitsluitend door de generale synode van de CGK kunnen worden beantwoord als die vragen daar zijn geagendeerd. De Rijnsburggroep is geen orgaan van de CGK en heeft dan ook geen enkele bevoegdheid dergelijke verzoeken te doen, omdat zij zich buiten de kaders van de CGK beweegt. Het is temeer ongepast omdat de Rijnsburggroep de kerkelijke vergaderingen niet langer erkent, maar wel probeert de agenda van de generale synode van de CGK te beïnvloeden via deputaatschappen en commissies. Het heeft er daarom alle schijn van dat de Rijnsburggroep een schaduwsynode wil organiseren met schijn van bevoegdheid binnen de CGK. Echter, voor die bevoegdheid ontbreekt iedere grond, omdat zij uitsluitend toekomt aan de generale synode van de CGK. Er hoeft daarom dan ook geen rekening te worden gehouden met de Rijnsburggroep en haar kerkelijke vergadering, simpelweg omdat zij geen zeggenschap of bevoegdheid binnen de CGK heeft.
Fairplay
Daarnaast lijkt de Rijnsburggroep haar verzoek kracht bij te zetten door te verwijzen naar de aflopende begrotingen van de CGK in 2027; dat riekt naar chantage, indachtig het feit dat de Rijnsburggroep in het recente verleden haar achterban heeft opgeroepen hun kerkelijke afdrachten in ieder geval tot 2027 te voldoen. Daarmee oefent de Rijnsburggroep druk uit op deputaten en commissieleden om om die reden gehoor te geven aan de verzoeken van de Rijnsburggroep. Deputaten en commissieleden zijn echter benoemd door de generale synode van de CGK en zij voeren slechts een opdracht uit in haar opdracht binnen het door haar daarbij gegeven mandaat. Daarmee wendt de Rijnsburggroep zich tot de verkeerde gremia. Bij fairplay zou hoogstens de Rijnsburggroep haar verzoeken aan de generale synode zelf doen, hoewel niet valt in te zien op basis waarvan dergelijke verzoeken gehonoreerd zouden kunnen worden door de generale synode. Door aan de deputaatschappen en commissies de vragen van Rijnsburggroep voor te leggen, doet de Rijnsburggroep een beroep op de loyaliteit van de betrokken deputaten en commissieleden, omdat zij weet dat er in die gelederen ook Rijnsburggroep sympathisanten zitten. Zij speculeert er kennelijk op dat een aantal van hen bereid zal zijn om hun bevoegdheden te overschrijden in het belang van de Rijnsburggroep.
Belangenbehartiging curatorium
Het is daarom ook onbegrijpelijk dat het curatorium van de TUA zich heeft laten verleiden om een drietal voorstellen te doen aan de komende generale synode en nota bene ook aan de Rijnsburggroep. De Rijnsburggroep is niet de opdrachtgever noch een gremium binnen de CGK dat enige beslissingsbevoegdheid heeft over de TUA. Het curatorium miskent daarmee dat de curatoren benoemd zijn door en uitsluitend verantwoording schuldig zijn aan de CGK. Ongetwijfeld komt het handelen van het curatorium voort uit loyaliteit met de Rijnsburggroep, omdat een deel van het curatorium zich wil verbinden met of zich zelfs al heeft verbonden aan de Rijnsburggroep en daarin ook een actieve rol speelt.[4] Daarin tekent zich niet alleen bezorgdheid af over het voortbestaan of het functioneren van de TUA, maar ook dat er sprake lijkt van het behartigen van het Rijnsburggroepsbelang door het curatorium. Echter, loyaliteit tegenover de Rijnsburggroep kan en mag geen enkele rol spelen bij de curatoren, omdat zij benoemd zijn door de particuliere synodes van de CGK en daarom hun taak uitsluitend in hun taak opdracht uitvoeren. Met het initiatief van het curatorium handelt het buiten zijn mandaat en behandelt het curatorium de Rijnsburggroep volstrekt ten onrechte als een gelijkwaardige partij, die ook zeggenschap zou hebben over de toekomst van de TUA. Daarmee ondermijnt het curatorium het gezag van de generale synode van de CGK.
Belang CGK
Deputaatschappen, deputaten, afgevaardigden van de generale synode en alle andere functionarissen binnen de CGK moeten zich bewust zijn van hun eigen taak, verantwoordelijkheid en bevoegdheden, die zij hebben ontvangen van een kerkelijke vergadering binnen de CGK en in wier opdracht zij hun opdracht uitvoeren en aan wie zij uitsluitend verantwoording kunnen afleggen. Er kunnen geen compromissen met de Rijnsburggroep worden gesloten, omdat zij het fundament van het kerkelijk samenleven, de Paulinische verdraagzaamheid, hebben verlaten. Wie dat niet kan opbrengen, moet aftreden althans de functie neerleggen, opdat de kerk zich weer kan richten op de missio Dei. De Rijnsburggroep vertegenwoordigt namelijk een schismabeweging, die geen onderdeel is van de kerkelijke structuur. Zij onttrekt zich doelbewust aan het kerkverband. Zij zaait bewust verdeeldheid waardoor zij wanorde creëert en de vrede in de kerken bedreigt. Wie loyaliteit met de Rijnsburggroep boven loyaliteit stelt met de CGK draagt bij aan die wanorde, wat zich niet verdraagt met de taak en roeping van ambtsdragers, deputaten en welke functionaris binnen de CGK dan ook, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] Rutgers, F.L. (1892-) Art. 1. (z.d.-a). https://kerkrecht.nl/node/1280/
[2] Luther en de vierslag | Vrije-Interpretatie. (z.d.-c). https://vrije-interpretatie.nl/luther-en-de-vierslag;
[3] Misleidend | Vrije-Interpretatie. (2026, 12 september). https://vrije-interpretatie.nl/misleidend;
[4] ds. Fokkema is bijvoorbeeld lid van het curatorium van de TUA, die een zelfstandig onderdeel is van de CGK en is oud-moderamen lid van de generale synode Rijnsburg-Nunspeet en inmiddels scriba van de Rijnsburggroep.
Reactie toevoegen