Naar aanleiding van de aankondiging dat er op 20 april 2024 een convent wordt georganiseerd voor alle CGK kerken zou volgens sommigen onder andere de vraag naar aanloop naar het convent moeten zijn of het voor de gemeente of de predikant nog te dragen zou zijn om medeverantwoordelijk te zijn voor besluiten die naar de diepste overtuiging tegen de Schrift ingaan. Wat opvallend is, is dat deze vraag geen rol meer speelt bij het vrouwenkiesrechtbesluit uit 1968. Sinds de generale synode van Rotterdam in 1971, die de revisieverzoeken tegen dat besluit ongegrond heeft verklaard, is de discussie hierover uit het publieke kerkelijk debat verdwenen. Niemand maakt zich publiekelijk nog druk om de vraag of voor dat besluit wel medeverantwoordelijkheid kan worden gedragen, omdat ook dat besluit naar de diepste overtuiging van bezwaarden tegen de Schrift ingaat. Deze overtuiging is tot op de dag van vandaag nog actueel binnen het kerkverband zonder dat de draaglast van dat besluit de draagkracht van gewetensbezwaarden te boven lijkt te gaan. Het is aannemelijk om te veronderstellen dat dit komt door het facultatief stellen van het besluit om vrouwen stemrecht te geven. In het blog ‘Spiegel van de CGK geschiedenis’ is aangetoond dat, inzake het deelnemen van zusters aan de verkiezing van ambtsdragers, de meerderheid van destijds rekening heeft gehouden met het geweten van de minderheid van toentertijd door de mogelijkheid voor zusters om deel te nemen aan ambtsdragersverkiezingen over te laten aan de plaatselijke kerken. Daarmee is de CGK feitelijk al ruim vijftig jaar een modaliteiten kerk zonder dat het ooit merkbaar het functioneren van het kerkverband op enig moment heeft belemmerd. Alle reden om ook de openstelling van de ambten facultatief te stellen. Het synodebesluit van Hilversum bewijst inmiddels ruim 50 jaar zijn dienst. 

 

Curieus standpunt

Uit reacties op het blog ‘Spiegel van de CGK geschiedenis’ blijkt dat het gewicht van het facultatieve besluit van 1968, waarbij vrouwen ook kunnen deelnemen aan ambtsdragersverkiezingen, door sommige tegenstanders van de openstelling van de ambten wordt gerelativeerd; dat besluit zou van een heel ander principieel gewicht zijn dan een besluit over het openstellen van de ambten voor vrouwen. Reden daarvoor zou zijn dat kiesrecht voor vrouwen een stuk minder duidelijk zou liggen in de Schrift dan het openstellen van de ambten voor vrouwen. Om die reden zou de vergelijking tussen vrouwenkiesrecht en vrouwelijke ambtsdragers appels met peren vergelijken zijn. Dat is om meerdere redenen een curieus standpunt. Het verdraagt zich namelijk niet met de feiten. Tijdens de bespreking van instructie van de kerkenraad van de CGK Amsterdam-West op de generale synode in 1968, bleek dat er ernstige, principiële bezwaren waren tegen het aan vrouwen verlenen van kiesrecht. Zo blijkt, uit de korte inhoud van de nota van Professor Hovius, die als bijlage 82 bij de acta van de generale synode 1968 te vinden is, dat Hovius fel tegenstander is van vrouwenkiesrecht omdat volgens hem het niet vol te houden is

 

“(...)  dat de verkiezing door de gemeente het geven van een advies aan de kerkenraad is. Als de gemeente verkiest is dit uitoefening van de haar door Christus geschonken regeermacht. (...) De vraag klemt of de gehele gemeente deze regeermacht uitoefent of dient uit  te oefenen, d.w.z. al haar leden zonder uitzondering. Uiteraard is dit niet het geval (kleine kinderen). In dit verband is het de vraag of Christus ook aan de vrouwelijke leden der gemeente ten aanzien van de uitoefening van de regeermacht in de verkiezing voor het ambt dezelfde rechten heeft geschonken als aan de man. Ten aanzien van het delen in de genadegaven is er geen verschil tussen mannelijk en vrouwelijk. Maar wat wil de Koning der kerk m.b.t. de verkiezing? Het antwoord is tweeledig: a de Schrift geeft ons nergens een voorbeeld waaruit duidelijk blijkt dat vrouwen wel aan de verkiezingen hebben deelgenomen, b de Schrift geeft voorts uitspraken die tegen het kiesrecht der vrouw in de gemeente pleiten”. Verder blijkt uit deze nota: “Het blijkt dat Voetius de uitoefening van de door Christus aan de kerk geschonken regeermacht aan de vrouwen ontzegt op grond van verschillende Schriftplaatsen, waarbij men speciaal lette op de opmerkelijke vergelijking met de verschillende positie van man en vrouw t.a.v. de heerschappij van de mens over de schepselen”. 

 

Hieruit blijkt onmiskenbaar dat professor Hovius vrouwenkiesrecht in strijd vindt met de Schrift. Uit het minderheidsrapport bij dit onderwerp wordt onder andere opgemerkt: 

 

“Krachtens de schepping heeft God de vrouw een andere plaats gegeven dan de man. De vrouw heeft tegenover de man een dienende taak. Zij is in het bijzonder geroepen een hulp te zijn. Dat is de door God gestelde orde. Dit geldt niet alleen de gehuwde maar ook de ongehuwde vrouw. In 1 Cor. 11 heeft de apostel het over de vrouw, gehuwd of ongehuwd. De scheppingsorde wordt door Paulus gehonoreerd”. 

Regeerdaad

De kern van het bezwaar tegen vrouwenkiesrecht was, toen en nu, dat het verkiezen van ambtsdragers een regeerdaad is, die op grond van de Schrift, niet aan vrouwen toekomt. Uit vorenstaande citaten uit de acta 1968 blijkt genoegzaam dat bezwaarden het stemrecht voor vrouwen bij ambtsdragersverkiezingen in strijd met Gods Woord beschouwden, omdat ook bij het verkiezen van ambtsdragers door de gemeente sprake is van een regeerdaad. Uit de revisieverzoeken, zoals die weergegeven zijn in de acta van 1971, blijkt vervolgens dat een groot aantal plaatselijke kerken naar hun diepste overtuiging het besluit van 1968 vinden ingaan tegen de Schrift en daarom voor bezwaarden  gewetensnood geeft. Een van de bezwaren van de kerkernaad van Barendrecht in 1971 betrof bijvoorbeeld het feit dat

 

“de Schrift zich verzet in uitdrukkelijke voorschriften omtrent de orde in de gemeente tegen het spreken van de vrouw (1 Cor. 14 : 34, 35, 1 Tim. 2 : 1-13) en dat wij niet gerechtigd zijn deze voorschriften in de praktijk te negeren of tijdgebonden te verklaren (1 Cor. 4 : 17 en 7 : 17); dat de verkiezing van ambtsdragers door de gemeente vanaf de eerste christelijke kerk door God gebruikt is om de regering in de kerk te verzekeren (Hand. 6 : 5, 4 : 23 en 15 : 22) en een daad van algemene regeermacht is. Zo werd het in de historie ook altijd gezien”.

 

In bijvoorbeeld het bezwaarschrift van de kerkenraad van Katwijk aan Zee wordt zonder enig voorbehoud gesteld dat het besluit om vrouwen kiesrecht te geven in strijd is met Gods Woord. De kerkenraad van Rotterdam-West bracht naar voren

 

“dat in het vrouwenkiesrecht de vrouw haar (mede) beslissende stem laat "horen", dat zo getornd wordt aan het gezag van de Schrift en de klaarblijkelijke zin van de Schrift twijfelachtig wordt gemaakt, in strijd met wat wij belijden in art. 7 en 32 van onze geloofsbelijdenis.” 

 

Gelijk principe

In redelijkheid kan er daarom dan ook geen misverstand over bestaan dat de bezwaarden de Schrift helemaal niet minder helder vinden, maar daarentegen ervan overtuigd zijn dat het vrouwenkiesrecht in strijd is met Gods Woord. Er is geen redelijk argument te bedenken dat iets meer of minder in strijd kan zijn met Gods Woord. Daarom is ook niet argumentatief dat vrouwenkiesrecht van minder principieel gewicht zou zijn dan openstelling van de ambten. Dat klemt temeer omdat in de basis bezwaarden tegen vrouwenkiesrecht en openstelling van de ambten de Schrift zó verstaan dat vrouwen geen regeermacht toekomt, zeker niet in de kerk. Dat principe is in beide gevallen gelijk en van gelijke waarde en daarom in het geval van vrouwenkiesrecht niet te relativeren. En zelfs in het geval aangenomen moet worden dat de kwestie van vrouwenkiesrecht in de Bijbel minder duidelijk wordt verboden als de openstelling van de ambten voor vrouwen, maakt dat op zichzelf de kwestie niet minder principieel; dat zou veeleer het geval zijn als de overtuiging zou bestaan, op grond van het Schriftverstaan, dat vrouwenkiesrecht volgens de Bijbel niet verboden zou zijn, maar wel ontraden zou worden. Dan zou er iets te zeggen zijn voor verschil in principieel gewicht tussen vrouwenkiesrecht en  openstelling van de ambten, maar daarvan is geen enkele sprake. Ook voor het vrouwenkiesrecht geldt, zoals de kerkenraad van Barendrecht in 1971 het verwoordde:

 

“dat het besluit van de synode van Hilversum de gewetens van velen in onze kerken bezwaart, die dit niet voor vast en bondig kunnen houden op grond van Schrift, belijdenis en kerkorde”. 

Het officiële orgaan van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland ‘De Wachters Sions’ schreef in 1971 over het GS-besluit van de CGK van 1968 inzake stemrecht voor vrouwen bij ambtsdragersverkiezingen:

 

“Wij kunnen het daarom ook niet anders zien dan dat genoemd Synodebesluit in strijd is met Gods Woord, in afwijking van de leer der reformatoren, doch ook tegengesteld is aan hetgeen hoogleraren der Christelijke Gereformeerde Kerken voorheen geleerd hebben!” 

 

Dezelfde principiële lijnen

Wie serieus kennis neemt van de discussie over het stemrecht voor vrouwen bij ambtsdragersverkiezingen kan niet ontkennen dat de tegenstanders daarvan bezwaren hadden en hebben langs dezelfde principiële lijnen als bij de openstelling van de ambten. Ook in 1968 en 1971 werd het besluit om facultatief vrouwenkiesrecht toe te staan als een aantasting van het Schriftgezag gezien, net zoals vandaag de dag dat ook een veel gehoord argument is tegen de openstelling van de ambten. Ook toentertijd werd op de verschillen in Schriftverstaan gewezen, waarbij de tijdgebondenheid van bijvoorbeeld de “zwijgteksten” door bezwaarden van vrouwenkiesrecht stellig werd afgewezen. Wie de gronden van bezwaren uit 1971 vergelijkt met de gronden van het synodebesluit van 2022, inzake vrouw en ambt, kan niet anders vaststellen dan dat die hetzelfde zijn. In beide gevallen is het uitgangspunt van de bezwaarden de principiële gelijkwaardigheid van man en vrouw, maar ook dat elk een eigen positie in de gemeente heeft. In beide gevallen wordt gesteld dat Paulus’ motivering van het zwijggebod (met name in 1 Timotheüs 2) duidelijk maakt dat het bij de positie van man en vrouw in de gemeente niet gaat om een louter contextuele aanwijzing of toepassing, maar om een fundamenteler orde die Paulus terug ziet gaan op de schepping, dat het principiële punt bij de eigen positie van man en vrouw in de gemeente ligt bij het onderwijzen in de samenkomst van de gemeente en het geestelijk leidinggeven aan de gemeente, o.a. op het gebied van de kerkelijke tucht. In beide gevallen is het oordeel dat zowel het stemrecht voor vrouwen als het openstellen van de ambten in strijd is met Gods Woord. Destijds was ook een bezwaar dat met het besluit van de synode-Hilversum de eenheid van de kerken ernstig zou worden geschaad, welk argument ook besloten ligt in het GS-besluit Dordrecht-Nunspeet; GS-Dordrecht-Nunspeet is namelijk van oordeel dat zowel een oplossing waarbij gemeenten zich zouden verwijderen uit het kerkverband als een oplossing waarbij de kerken elkaar meer en meer loslaten op punten die naar de overtuiging van de kerken principieel liggen, neerkomen op het aanvaarden van geestelijke verwijdering en het relativeren van de gezamenlijke belijdenis en daarom geen werkelijke oplossing zijn. Opvallend is dat één van de bezwaargronden in 1971 was dat het besluit van de GS Hilversum in strijd zou zijn met artikel 32 NGB, omdat door het synodebesluit de eenheid binnen het kerkverband  zou worden geschaad in plaats van verstrekt. Uit de acta van 1968 en 1971 blijkt genoegzaam dat de gewetensbezwaren ten aanzien van vrouwenkiesrecht van hetzelfde gewicht zijn als de gewetensbezwaren tegen de openstelling van de ambten. Er bestaat ook niet iets zoals meer of minder gewetensbezwaar. Iets bezwaard het geweten of niet. 

 

Geen appels en peren

De vraag naar de medeverantwoordelijkheid voor onschriftuurlijke besluiten is problematisch in het licht van het feit dat bezwaarden het vrouwenkiesrechtbesluit ook in strijd met de Schrift vinden; daarvoor geldt dan evenzeer dat die bezwaarden, die er tot op de dag van vandaag zijn binnen het kerkverband, medeverantwoordelijk zijn voor dat onschriftuurlijke besluit zonder dat die medeverantwoordelijkheid kennelijk ook maar enige consequentie heeft. Al ruim vijftig jaar zouden die bezwaarden van vrouwenkiesrecht dan mede verantwoordelijk zijn voor een, in hun visie, on-Bijbels besluit. Als het vrouwenkiesrechtbesluit al tientallen jaren te dragen is, is ook een facultatief besluit inzake de openstelling van de ambten te dragen. Een facultatief besluit is daarvoor een geschikt instrument en het heeft zich binnen het kerkverband overduidelijk bewezen. De bezwaren tegen vrouwenkiesrecht en openstelling van de ambten is, zo is aangetoond, beslist geen appels met peren vergelijken, want zij vertonen grote gelijkenissen en zijn in feite identiek aan elkaar. In ieder geval in de ogen van de bezwaarden, zoals hierboven is aangetoond. Als het al ruim vijftig jaar mogelijk is om elkaars geweten niet te binden inzake vrouwenkiesrecht, moet het mogelijk zijn omdat ook te doen met de openstelling van de ambten. In het licht van het vrouwenkiesrechtbesluit is het ook niet teveel gevraagd van bezwaarden om de impasse te doorbreken door de facultatieve openstelling van de ambten voor vrouwen te aanvaarden. Het is namelijk merkwaardig dat het facultatieve besluit inzake vrouwenkiesrecht wel blijkbaar is aanvaard, maar dat dit niet zou kunnen voor het openstellen van de ambten. De enige redelijke verklaring hiervoor is dat het facultatieve besluit inzake vrouwenkiesrecht de bezwaarden goed uitkomt, omdat zij daardoor hun vrijheid behouden dat kiesrecht aan vrouwen te onthouden. Echter, er lijkt vervolgens geen bereidheid om,  nu de kerkelijke meerderheid tegen openstelling van de ambten is, aan de voorstanders van de openstelling van de ambten die dezelfde vrijheid te gunnen door aan hen de ruimte te bieden de ambten te openen. Dat is ten onrechte meten met twee maten. Dat verklaart ook waarom het conflict binnen het kerkverband zo hoog oploopt. Daarom is niet de vraag of een besluit tot openstelling van de ambten te verdragen is, maar is de vraag wat draagt bij aan de vrede in de kerken? De vrede wordt zonder meer gediend door de ambten facultatief open te stellen en afspraken te maken over de wijze waarop binnen het kerkverband kan functioneren. Dat zou dan ook het onderwerp van gesprek moeten zijn op het convent. Dat is, in de woorden van de apostel Paulus, de weg die past bij de roeping die Christenen hebben ontvangen: wees altijd nederig, zachtmoedig en geduldig en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede!

 

 

 

 

 

 

 

 

Subscribe for updates on all content.

Reactie toevoegen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.

Reactie toevoegen

Beperkte HTML

  • Toegelaten HTML-tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.
  • Web- en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.