Legalistisch kerkrecht

In de podcast ‘Dick & Daniël geloven het wel’ van het Nederlands Dagblad van 4 juli 2025 spraken ds. Egas en emeritus hoogleraar Den Hertog met elkaar over de crisis in de Christelijke Gereformeerde Kerken.[1] Een van de kernpunten van ds. Egas zijn bijdrage is dat plaatselijke kerken ontrouw zijn aan hun gegeven woord door ambten open te stellen, omdat zij daarmee zich niet houden aan synodebesluiten. Egas’ standpunt geeft blijk van een hermeneutisch kader van het kerkrecht dat resulteert in een legalistische kerkrechtopvatting.

Legalistisch kerkrecht
Hans Bügel

In de podcast ‘Dick & Daniël geloven het wel’ van het Nederlands Dagblad van 4 juli 2025 spraken ds. Egas en emeritus hoogleraar Den Hertog met elkaar over de crisis in de Christelijke Gereformeerde Kerken.[1] Een van de kernpunten van ds. Egas zijn bijdrage is dat plaatselijke kerken ontrouw zijn aan hun gegeven woord door ambten open te stellen, omdat zij daarmee zich niet houden aan synodebesluiten. Egas’ standpunt geeft blijk van een hermeneutisch kader van het kerkrecht dat resulteert in een legalistische kerkrechtopvatting.  

Meden en Perzen
Het hermeneutische kader van ds. Egas vertoont overeenkomsten met het verhaal uit Daniël 6, waar alle rijksbestuurders van het koninkrijk, stadhouders en satrapen, raadsheren en gouverneurs Darius vroegen een verbod uit te vaardigen en op schrift te stellen, zodat het niet veranderd kan worden, omdat geen enkele wet van de Meden en de Perzen kan worden herroepen. Egas lijkt synodale besluiten als wetten van Meden en Perzen te beschouwen; besluit is besluit. Egas lichtte zijn opvatting zo toe dat, als plaatselijke gemeenten bij de openstelling van de ambten blijven, zij een rode lijn overschrijden. Ter onderbouwing hiervan stelt Egas dat in een synodale kerk, plaatselijke kerken en ambtsdragers, hebben beloofd zich te houden aan de kerkelijke bepalingen. in het bijzonder wordt verwezen naar het verbindingsformulier en de lastbrief waarin de belofte wordt gedaan om zich te houden aan de kerkorde en de verdere bepalingen en besluiten van de CGK. De redenering is: de generale synode heeft uitgesproken dat de ambten zijn voorbehouden aan mannen, de tegen die uitspraak ingediende revisieverzoeken zijn verworpen, zodat eenieder zich aan dat synodebesluit moet houden bij gebreke waarvan de belofte om zich aan de synodebesluiten te houden wordt gebroken en er daarom sprake is van ontrouw. Daarmee verabsoluteert Egas synodale besluiten als dwingendrechtelijke afspraken, die absolute binding hebben en daarom absolute gehoorzaamheid vereisen. Egas suggereert in de podcast dat, naar analogie van ‘regel is regel’   afspraken moeten worden nagekomen, dat ‘besluit is besluit’ een grondnorm zou zijn van gereformeerd kerkrecht. Echter, dergelijke gebondenheid aan synodale besluiten is geen grondbeginsel van gereformeerd kerkrecht. Het miskent namelijk dat synodale besluiten het resultaat zijn van kerkelijke besluitvorming, dat uitgaat van een ander hermeneutisch perspectief dat ook doorwerkt in de gebondenheid aan synodale besluiten.

Hermeneutisch perspectief
Voor dat hermeneutisch perspectief is bepalend het algemeen aanvaarde inzicht dat woorden op zichzelf nooit duidelijk zijn en daarom uitleg behoeven.[2] Aan woorden in een juridische tekst wordt niet alleen betekenis gegeven door op de taalkundige betekenis van woorden te letten, maar ook door te letten op de context.[3] Ook voor een kerkrechtelijke tekst geldt dat zij een tekst is, die moet worden verstaan, net zoals dat bij een juridische tekst het geval is.[4] De rechtspositivistische rechtsopvatting van Egas ziet  ten onrechte eraan voorbij dat kerkrechtelijke besluiten ook teksten zijn die moeten worden verstaan. In zowel het gemene recht, het kerkrecht en de theologie in het algemeen, is een strikte toepassing van ‘regel is regel’ de wortel van willekeur, omdat theologisch gezien bijvoorbeeld, het effect daarvan het toepassen is van losse Bijbelteksten op concrete situaties. Dr. Van de Beek zegt daarvan dat ‘waar dat gebeurt, bestaat gewoonlijk een grote huiver voor ontkrachting van het Schriftgezag, terwijl juist in het niet onderkennen van de hermeneutische situatie het Woord Gods ontkracht wordt.’ Voor het gemene en kerkrecht geldt hetzelfde; een positivistische rechtsopvatting[5] van rechtsregels heeft namelijk als effect dat niet wordt onderscheiden wat men doet en de rechtsregel daarom willekeurig toepast.[6] Ook in het kerkrecht leidt een positivistische benadering van het kerkrecht tot willekeur, wat leidt tot het uitoefenen van dwang over het geweten, het verstoren van de saamhorigheid, eenheid en gehoorzaamheid aan God, zowel ten aanzien van de gezamenlijke kerken binnen een kerkverband als ten aanzien van plaatselijke kerken.[7] En daarom is het van belang oog te hebben voor en rekening te houden met feit dat ook het kerkrecht onderhevig is aan hermeneutische processen, zoals die gelden voor alle teksten, maar in het bijzonder gelden voor juridische teksten, met dien verstande dat kerkrechtelijke teksten uiteraard geen rechtsteksten, maar eigensoortig zijn. Ofschoon juridische teksten hermeneutisch niet per se te onderscheiden zijn van historische of literaire teksten, onderscheiden zij zich daarvan wel. Een rechts- en een kerkrechttekst zijn prescriptief doordat zij normatief van karakter zijn.[8] Daarnaast geldt voor het recht en het kerkrecht dat zij betrokken zijn bij een situatie in het heden, zodat niet alleen de situatie van het ontstaan van de tekst of de interne structuur van de tekst moet worden onderzocht, maar ook de actuele situatie. Bovendien kenmerken rechts- en kerkrechtteksten doordat zij gezag claimen ten opzichte van een bepaalde gemeenschap, omdat, als het (kerk) recht als geheel legitimiteit heeft dan wordt het gehoorzamen van het recht als gerechtvaardigd gezien, omdat gezag een vitale functie in de gemeenschap heeft. Geen enkele gemeenschap kan overleven zonder een instantie die de orde- en de coördinatiefunctie vervult, geen gemeenschap zonder gezag.[9] Daarmee gaat het dus om teksten die door een bepaalde gemeenschap zijn aanvaard, zoals een kerkgemeenschap die kerkrechtelijke teksten heeft aanvaard.[10]

Verstaanscontext
Naast gemeenschappelijke hermeneutische aspecten, onderscheiden rechtsteksten zich van kerkrechtteksten doordat voor rechtsteksten geldt dat zij regels zijn waaraan mensen gebonden zijn, omdat zij een regeling van menselijke verhoudingen is. Het komt daarbij niet aan op de regeling als zodanig, maar op de onderlinge verhoudingen.[11] Voor kerkrechtteksten geldt echter een eigen verstaanscontext. Kerkrechtteksten onderscheiden zich doordat deze teksten gebaseerd zijn op en voortkomen uit een externe gezagsbron, zijnde de Schrift. En daarmee is de gemeenschap van de kerk niet haar eigen wetgever van de kerkrechtteksten. Daardoor is de hermeneutiek van het kerkrecht complexer van aard, omdat er niet alleen sprake is van de hermeneutische cirkel tussen de tekst van de wet en de hedendaagse situatie is, maar ook dat die beide in een hermeneutische relatie met de Schrift moet worden gebracht. Daarbij fungeert de Schrift zowel als een kritische instantie tegenover het kerkrecht en als een bron van uitleg voor het vigerende kerkrecht.[12] De gemeenschap van de kerk, het kerkgenootschap, het kerkverband als verbond van kerken, heeft daarbij, voor het verstaan van kerkrechtteksten, het gezag van de Schrift betekenis gegeven in het interpretatiekader van de confessie, de belijdenis van de kerken. In de belijdenis van de kerken is de geestelijke en organisatorische eenheid in geloofsovertuiging tot uitdrukking gebracht en vastgelegd. Zij fungeert als de hermeneutische bril, die als grondbeginsel, bepalend is voor het verstaan van kerkrechtteksten.[13] In het belijden van de kerken zijn dan ook de gemeenschappelijke beginselen van gereformeerd kerkrecht tot uitdrukking gebracht. Daarin spreken de kerken uit wat zij geloven van deze beginselen van gereformeerd kerkrecht, de ideële opvatting over het kerkrecht, het jus constituendum.[14] Zij vormt het grondbeginsel van het kerkrecht, zijnde jus constitutum.[15] Dat is de concretisering van de ideële opvattingen over het kerkrecht, zodat wat de kerk vaststelt, geen absolute wet is, maar een regeling, afgeleid uit het Woord van Christus, naar de behoeften van bijzon­dere omstandigheden in bepaalde tijden.[16]

Hermeneutische bril
Naast de beginselen van gereformeerd kerkrecht dat Jezus Christus Heer van de kerk is, de Schrift norma normans is, de belijdenis fungeert als interpretatiekader voor de gezamenlijke uitleg van de Schrift, zijn de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken en gelijkheid van kerken beginselen van gereformeerd kerkrecht, die relevant zijn voor de context waarin kerkrechtteksten, waaronder synodale besluiten, betekenis moeten worden toegekend. Dit impliceert dat als in de praktijk van het kerkelijke leven blijkt dat bepaalde kerkelijke besluiten door een minderheid van kerken niet worden nageleefd, aan die minderheid onrecht wordt gedaan door hen te veroordelen uitsluitend vanwege het feit dat zij die besluiten niet aanvaarden en daarom niet naleven. Dat getuigt van een ongeestelijke en veroordelende houding die kerkelijke besluiten verheffen tot wet, een wet van Meden en Perzen. Ds. Egas geeft er blijk van dat zijn hermeneutische bril minst genomen beslagen is, omdat hij de rationaliteit of legitimiteit van de synodale besluiten negeert of verkeerd interpreteert. In het licht van de zelfstandigheid en gelijkheid tussen plaatselijke kerken, is het niet voor niets dat artikel 31 K.O. vooropstelt dat besluiten zo mogelijk bij eenparigheid van stemmen genomen moeten worden; de norm van eenparigheid reflecteert beide beginselen van zelfstandigheid en gelijkheid van plaatselijke kerken van het kerkverband. De eenparigheid stemt daarmee overeen met artikel 85 K.O.. Zoals de kerkorde, waaronder dus artikel 31 K.O., met wederzijdse instemming van de plaatselijke kerken van het kerkverband is aanvaard, zo dienen ook kerkelijke besluiten te berusten op gemeenschappelijke aanvaarding van kerkelijke besluiten. Ook daarin ligt besloten dat kerkelijke besluiten niet hiërarchisch aan de plaatselijke kerken worden opgelegd, maar door middel van overeenstemming door de kerken gezamenlijk worden aanvaard. Die aanvaarding is niet gebaseerd op het democratische principe van de meerderheid die beslist, maar zij is gebaseerd op wederzijdse overeenstemming van de plaatselijke kerken. Dat is ook de ratio van de eenparigheid die de kerken moeten nastreven. En de wijze waarop tot overeenstemming moet worden gekomen ligt ook besloten in artikel 31 K.O., analoog aan de wijze waarop de kerken de kerkorde hebben aanvaard, namelijk onder de voorwaarde dat kerkelijke besluiten te allen tijde moeten voldoen aan de kwalitatieve vereisten van Schriftgetrouwheid overeenkomstig het belijden van de kerken en in overeenstemming met de geldende kerkorde; zoals de algemene instemming met de kerkorde impliceert dat aan geen enkele plaatselijke kerk de kerkorde wordt opgelegd, maar door de kerken zijn aanvaard, omdat zij niet in strijd is met Gods Woord overeenkomstig het belijden van de kerken, zo kunnen evenmin kerkelijke besluiten aan plaatselijke kerken worden opgelegd.[17]

Onterecht positivistisch
En precies aan het punt van de vrijwillige aanvaarding van kerkelijke besluiten gaat Egas voorbij, doordat hij verzuimt zich rekenschap te geven van het juiste verstaan van de synodale besluiten inzake bijvoorbeeld ViA. Ten onrechte legt Egas deze besluiten positivistisch uit door zich uitsluitend te beroepen op het feit dat deze besluiten vast en bondig zijn, omdat zij genomen zijn met een meerderheid van stemmen. Door te miskennen of zelfs te ontkennen dat een substantiële minderheid de besluiten ViA niet kan aanvaarden waardoor deze besluiten in strijd met aard, doel en beginselen van gereformeerd kerkrecht genomen zijn, beschuldigt Egas deze substantiële minderheid ten onrechte van ontrouw aan de gemaakte afspraken en het gegeven ja-woord. In zijn uitleg van de kerkorde en het gereformeerde kerkrecht in het algemeen volstaat Egas met het standpunt dat een besluit een besluit is dat absolute gehoorzaamheid vereist, waarmee hij kerken en kerkleden onrecht doet. Het gaat uit van de kennelijke gedachte dat de generale synode zonder meer het laatste woord heeft. Zoals dr. Bert Loonstra terecht opmerkt in zijn blog kan dat niet een juiste interpretatie van artikel 31 K.O. zijn. Zij is namelijk in strijd met de Nederlandse geloofsbelijdenis, die uitspreekt dat niet de kerk, zijnde de generale synode, het laatste woord heeft, maar Gods Woord.[18] Bovendien erkent het geldende kerkrecht, waartoe naast de kerkorde ook synodale besluiten kunnen worden gerekend, dat van de kerkorde kan worden afgeweken in niet-noodzakelijke dingen. Noodzakelijke dingen zijn die dingen die in Gods Woord staan voorgeschreven of daaruit voortvloeien en daarom ook in de confessie van de kerk zijn opgenomen. Dit betekent vervolgens dat het niet-nakoming van de kerkorde door plaatselijke kerken of kerkleden inzake niet-noodzakelijke zaken niet per definitie afkeurenswaardig is, zolang de orde in de kerken daardoor niet wordt verstoord of juist beter bewaard kan worden.[19] Wat noodzakelijke zaken zijn, hebben de kerken vastgelegd in de gezamenlijke geloofsbelijdenis en de kerkorde.[20] Zo bepaalt artikel 2 K.O. dat er drie diensten zijn, die ‘van dienaren des Woords, van de ouderlingen en van de diakenen’.[21] Artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt uit dat er dienaren van het Woord, ouderlingen en diakenen moeten zijn op grond van de Schrift[22]. Daaruit blijkt dat de diensten of ambten noodzakelijk zijn, maar dat de precieze invulling daarvan niet-noodzakelijk blijkt, omdat de belijdenis daarover niets zegt. Dit betekent voor synodale besluiten dat ook daarvan onder omstandigheden door plaatselijke kerken en kerkleden kan worden afgeweken. Dat kan het geval zijn als besluiten niet kunnen worden aanvaard, omdat zij in strijd zijn met Schrift, belijden van de kerk of de kerkorde, waaronder ook situaties dat synodale besluiten niet kunnen worden aanvaard, omdat zij in een plaatselijke gemeente niet bijdragen aan de saamhorigheid, eenheid en trouw aan God in de gemeente. Egas versimpelt de betekenis van de synodale besluiten. Daardoor is er bij Egas ook geen ontvankelijkheid voor wat professor Den Hertog in de podcast naar voren bracht, omdat Egas het kerkrecht en in het bijzonder de kerkorde en daarop gebaseerde besluiten niet uitlegt binnen hun eigen verstaanscontext.

Kerk-zijn in geestelijke zin
En hoewel Egas in de podcast merendeels aan het woord was, waardoor de bijdrage van Den Hertog misschien wat onderbelicht bleef, gaf Den Hertog er blijk van zich bewust te zijn van de hermeneutiek van het kerkrecht. Hij verwierp namelijk nadrukkelijk de op Meden en Perzen gebaseerde opvatting  van Egas dat eenmaal genomen besluiten onvoorwaardelijk en absoluut gehoorzaamd moeten worden, louter omdat zij met een meerderheid van stemmen zijn genomen. Den Hertog zoekt de betekenis van synodale uitspraken nadrukkelijk in de gezagsbron waarop het kerkrecht steunt, namelijk door de lens van Schrift en belijdenis. In zijn bijdrage begint Den Hertog terecht met een beschouwing over wat de kerk is. Egas verstaat echter niet wat Den Hertog bedoeld te zeggen als hij het betoog van Den Hertog diskwalificeert met de opmerking dat de kwestie die de kerken verdeeld houden niet aan de kerk raakt, omdat het dan uitsluitend over de plaatselijke kerk zou gaan, terwijl het slechts een crisis van het kerkverband zou zijn. Daarmee ziet Egas er echter aan voorbij dat, als de belijdenis van de kerk spreekt over de kerk, niet alleen gesproken wordt over de plaatselijke kerk, maar zij ook spreekt over de kerk in geestelijke zin. De plaatselijke kerken zijn dus weliswaar zelfstandig, maar zij vormen als lichaam van Christus, tegelijkertijd ook een onderlinge wereldwijde geestelijke eenheid. Zij zijn echter geen georganiseerde, ambtelijke geïnstitueerde eenheid. Alle plaatselijke kerken vormen daarmee - zoals professor Greijdanus het formuleerde - ‘over het rond der aard een innerlijke geestelijke eenheid’. En hierop doelde Den Hertog toen hij de nadruk legde op het kerk-zijn als bepalende factor ook in kerkrechtelijke zaken. Voor het juiste verstaan, het geven van de juiste betekenis aan de kerkorde en de daarop gebaseerde besluiten, is het van belang te beseffen dat de kerk weldegelijk een eenheid is in district, provincie, land wereld, maar niet een georganiseerde, ambtelijk geleide, in opdracht van de Heer, een wereldomvattende, naar landen en streken in rangorde afdalende ambtelijke institutie of inrichting voorziene eenheid, maar een geestelijke, als een lichaam, waarbij het een orgaan wel het andere nodig heeft voor zijn gezonde bestaan en functioneren, maar toch over een ander orgaan of lid niks te zeggen heeft.[23] Het is daarom begrijpelijk en terecht dat Den Hertog het kerk-zijn, in geestelijke zin, voorop stelt, waarvan de kern, de essentie, is - zoals Den hertog dat verwoordde: ‘dat je aan een avondmaalstafel zit en elkaar in de ogen kijkt en zegt: jij denkt over dat punt heel anders dan ik’, in plaats van het eens te zijn op een aantal standpunten. Den Hertogs focus dat de erkenning van het feit dat allen die zich eigendom weten van Jezus Christus naar Bijbels en Reformatorisch opzicht bij elkaar horen en daarom uit elkaar gaan geen begaanbare optie is, geeft een hermeneutisch kader die de synodebesluiten in een breder perspectief plaatsen. Den Hertog verwijt Egas dat hij de kerk ziet als een soort van vereniging die bij een moderne samenleving hoort. Dat wil zeggen, een vereniging waarin mensen dingen met elkaar delen, afspraken maken en zich daaraan dan ook houden. Houden mensen zich vervolgens niet aan de gemaakte afspraken dan word je buitengesloten. Daarvan zegt Den Hertog, zo is de kerk niet. Den Hertog verzet zich tegen een kerk die gebaseerd is op een aantal bepalingen waaraan je moet voldoen. Hij benadrukt vanuit het kerk-zijn in geestelijke zin dat een juridische benadering van het kerkrecht niet past en dat, hoewel de rechter wellicht die benadering rechtens juist kan vinden, het toch niet deugt. En daarmee verwerpt Den Hertog op grond van Schrift en belijdenis de positivistische kerkrechtopvatting van Egas.

Moderne Paus
Den Hertog maakte daarmee duidelijk dat Egas een synodebesluiten versmalt tot ‘afspraak is afspraak’ en daarmee verzuimt die hermeneutisch te benaderen, waardoor meerderheidsbeslissingen op zichzelf bepalend zijn en niet worden geïnterpreteerd vanuit hun verstaanscontext. Daarmee voert Egas een moderne Paus in[24], die de eigenheid van kerk-zijn, in zijn kern raakt en tot kerkelijke hiërarchie leidt. En dat is niet onschuldig, omdat de invloed van Egas’ opvattingen kerken en kerkmensen op het verkeerde been zet en daarmee de verdraagzaamheid binnen het kerkverband wordt ondermijnd, terwijl voor verdraagzaamheid volop ruimte is binnen het gereformeerde kerkrecht waar sprake is van een gezonde hermeneutiek van het kerkrecht.[25] Door een legalistische interpretatie van het kerkrecht wordt wanorde gecreëerd, zoals inmiddels ook gebleken is. Hermeneutiek van het kerkrecht kan die wanorde voorkomen en de vrede in de kerken dienen, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.

________________
[1] Import, F. (2025, 4 juli). #208 De Christelijke Gereformeerde Kerken storten in. Hoe moet het verder? Nederlands Dagblad.   
 De Kwaliteitskrant van Christelijk Nederland.  
https://www.nd.nl/podcast/dick-en-daniel-geloven-het-wel/1274965/-208-d…-
[2] P. Scholten, WPNR 1909/2058, p. 309-311.
[3] Parket bij de Hoge Raad. (2023, 18 april). rechtspraak.nl. Geraadpleegd op 17 juli 2025, van https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2023:444 ECLI:NL:PHR:2023:444, r.o. 3.6.
[4] Van ’t Spijker, W., & Van Drimmelen, L. C. (Reds.). (1992). Inleiding tot de studie van het Kerkrecht (Tweede, herziene en aangevulde druk). Uitgeversmaatschappij J.H. Kok - Kampen, p. 61.
[5] Onder een positivistische rechtsopvatting wordt in deze Vrije-Interpretatie verstaan dat de geldigheid van wetten en regels uitsluitend berust op hun formele vaststelling door een daartoe bevoegde menselijke instantie en volgens een vastgestelde procedure. De geldigheid van dergelijke regels staat los van hun eventuele morele inhoud of rechtvaardigheid; een regel is bindend omdat hij op de juiste wijze is gecreëerd binnen het bestaande rechtssysteem, niet vanwege zijn intrinsieke 'goedheid' of overeenstemming met hogere beginselen.
[6]  Van ’t Spijker, W., & Van Drimmelen, L. C. (Reds.). (1992). Inleiding tot de studie van het Kerkrecht (Tweede, herziene en aangevulde druk). Uitgeversmaatschappij J.H. Kok - Kampen, p.61
[7] https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/artikel-32 
[8] Kwak, A.-J. (2021). Five reasons why: waarom rechtswetenschap geen harde of exacte wetenschap is. In M. Sombroek-van Doorm, J. V. D. Leun, A. Ellian, & W. V. Boom (Reds.), Cum Suis: Vriendenboek Carel Stolker (pp. 181–201), p.10 https://hdl.handle.net/1887/3463985
[9] Kwak, A.-J. (2021), t.a.p., p.12
[10] Van ’t Spijker, W., & Van Drimmelen, L. C. (Reds.), t.a.p., p.61
[11] Scholten, P. (1949) 1.1. (z.d.). https://kerkrecht.nl/node/8026/
[12] Van ’t Spijker, W., & Van Drimmelen, L. C. (Reds.).t.a.p. p.62
[13] Nominaal Christelijk Gereformeerd | Vrije-Interpretatie. (2025a, juni 9). https://vrije-interpretatie.nl/nominaal-christelijk-gere            formeerd 
[14] Het jus constituendum duidt op het recht zoals het behoort te zijn. Het betreft de ideële 
  opvatting van de regels in de kerk, zoals deze de kerk voor ogen staan. Deze ideale regels 
  treden steeds helderder aan het licht door de studie van het kerkrecht, het onderzoek van 
  de Heilige Schrift en de deductie uit de hieruit gevonden beginselen. H. Bouman, 
  Gereformeerd Kerkrecht I, J.H. Kok, 1928, § 1.1. Kerk en Kerkrecht p. 2 
[15] Het jus constitutum (het vastgestelde recht) is de praktische uitwerking van het recht. Dit recht doorloopt een proces waarin  
   het streeft naar de realisatie van het ideale recht, al slaagt het er slechts gebrekkig in om dat ideaal volledig te belichamen.    
  Wat de kerk vaststelt, is dan ook geen absolute wet, maar een regeling die is afgeleid uit het Woord van Christus, toegespitst 
  op de behoeften van specifieke omstandigheden in bepaalde tijden. H. Bouman, Gereformeerd  
  Kerkrecht I, J.H. Kok, 1928, § 1.1. Kerk en Kerkrecht p. 2 
[16] Bouwman, H. (1928b). Kerk en kerkrecht. https://kerkrecht.nl/node/2614/1/17 
[17] Rutgers, F. L. (1918). Art. 86. https://kerkrecht.nl/node/3131/1/36
[18] De CGK-synode heeft het kerkverband onnodig in een impasse gebracht – theologisch logboek. (2025, 9 juni). 
   https://bertloonstra.nl/recent/de-cgk-synode-heeft-het-kerkverband-onno…;
[19] Rutgers, F. L. (1892). Kerken-ordening (pp. 1–21). https://kerkrecht.nl/node/1280/1/21
[20] t.a.p.
[21] Synode van Dordrecht-C. & Z./Nunspeet. (2019c). KERKORDE van de CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERKEN IN   
   NEDERLAND, artikel 2
[22] Effusion - www.effusion.nl. (z.d.-d). Van de regering der Kerk door kerkelijke ambten | Nederlandse-Geloofsbelijdenis.nl. 
   Belijdenis. https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/artikel-30 
[23] Greijdanus, S. & UIGEVERIJ J. BOERSMA ENSCHEDE. (z.d.-b). SCHRIFTBEGINSELEN VAN KERKRECHT INZAKE MEERDERE VERGADERINGEN, p. 10-11
[24] Moderne Paus | Vrije-Interpretatie. (2022, 27 april). https://vrije-interpretatie.nl/moderne-paus 
[25] Het fusain van verdraagzaamheid | Vrije-Interpretatie. (2025b, april 18). https://vrije-interpretatie.nl/het-fusain-van-verdraagzaamheid; Het scharnierpunt van verdraagzaamheid | Vrije-Interpretatie. (2025, 28 april). https://vrije-interpretatie.nl/het-scharnierpunt-van-verdraagzaamheid;

Permalink

Hallo Hans, op FB las ik je stuk ' legalistisch kerkrecht. Dank daarvoor! Wil je dit ook via LinkedIn delen. Alvast vriendelijk bedankt. Gr. Jack Vink

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master