In deze tekst wordt gepleit voor het bewaren van de vrede binnen de CGK door het onderwerp 'vrouw en ambt' (ViA) vrij te geven aan plaatselijke kerken. De auteur trekt een parallel met de discussie over vrouwenkiesrecht uit 1971. Destijds bleef de eenheid bewaard omdat de meerderheid ruimte bood aan de bezwaarde minderheid, die op basis van dezelfde bijbelse argumenten als de huidige meerderheid tegenstander was. De huidige meerderheid wordt opgeroepen de "wijsheid van boven" te verkiezen boven eigen gelijk om een kerkscheuring te voorkomen.
Over de behandeling van de revisieverzoeken ‘ViA’ tijdens de Generale Synode 2024-2025 CGK is veel te doen geweest. In de Vrije-Interpretatie ‘Onjuist preadvies’ van 28 januari 2025 is kritiek geuit op het preadvies van professor Selderhuis tijdens de bespreking van een ordevoorstel van de generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken.[1] Wat in de discussie over de behandeling van de revisieverzoeken nauwelijks aandacht heeft gekregen, is het standpunt van commissie 2a van het meerderheidsrapport van commissie 7 inzake revisieverzoeken ‘Vrouw en ambt’, dat het niet mogelijk is het onderwerp ‘vrouw en ambt’ vrij te geven aan het inzicht van de plaatselijke kerken.[2] Dat is opmerkelijk, omdat dit standpunt betwistbaar is in het licht van de kwestie over het vrouwenkiesrecht waarover in Vrije-Interpretatie ‘Spiegel van de CGK geschiedenis’ eerder is geschreven.[3] Toch behoeft het opnieuw aandacht, omdat juist de kwestie van het vrouwenkiesrecht binnen de CGK laat zien dat het mogelijk is te verschillen van mening over bijvoorbeeld ‘vrouw en ambt’, maar desondanks de vrede te bewaren door dit onderwerp aan de vrijheid van de kerken te laten.
Instructie
Tijdens de Generale Synode van Zwolle - Apeldoorn werd door de kerkenraad van de CGK Amsterdam-West de instructie ingediend[4], waarmee de Generale Synode zou moeten uitspreken dat de term 'gemeente' in de kerkorde ook vrouwen omvatte, waardoor zij aan de ambtsdragersverkiezing mochten deelnemen. De instructie hield in dat, indien een kerkraad op grond van de Schrift, de belijdenis en de kerkorde van oordeel is dat de term 'gemeente' in de artikelen 4, 22 en 24 K.O. niet wisselend geïnterpreteerd mag worden , de volgende regel geldt: elk belijdend lid dat niet onder tucht staat, heeft het recht om de daar erkende bevoegdheden uit te oefenen. De kerkenraad verklaart dat het hem in zo'n situatie vrijstaat om alle ongecensureerde belijdende leden volledig stemrecht te geven en verzoekt de generale synode met klem om zich in gelijke zin uit te spreken.[5] Op de daaropvolgende Generale synode van Hilversum[6] werd over de instructie gesproken en besloten. De daartegen ingediende revisieverzoeken werden vervolgens behandeld tijdens de Generale Synode van Rotterdam.[7]
Verzet minderheid
De hele periode dat het vrouwenkiesrecht onderwerp van gesprek, besluitvorming en revisie was, was er een minderheid die zich verzette tegen kiesrecht voor vrouwen. Kern van haar bezwaar is dat de vrouw uitgesloten is van regeerdaden. Het kiezen van ambtsdragers is volgens haar een regeerdaad, die valt onder de uitoefening van de regering van Christus kerk en daarom voor vrouwen verboden is. Daarom is de uitoefening het kiesrecht beperkt tot mannen. In het minderheidsrapport van ds. M.C. Tanis wordt aangevoerd dat er geen Schriftuurlijke grond is voor vrouwenkiesrecht, de verkiezing van ambtsdragers een regeerdaad is, vrouwen uitgesloten zijn van regeerdaden op grond van de scheppingsorde, het recht om deel te nemen aan kerkelijke verkiezingen niet vloeit voort uit het ambt der gelovigen. Het toekennen van het kiesrecht voor vrouwen leidt onvermijdelijk tot de openstelling van de ambten voor vrouwen, omdat een afbakening niet mogelijk is.[8]
Gronden van bezwaar
Tanis stelt dat als de Schrift namelijk spreekt over de medewerking van de gemeente bij de verkiezing tot het ambt of bij besluiten, alleen over mannen wordt gesproken. Dit gebeurde bij de verkiezing van Matthias tot apostel, Handelingen 1:15-23, de verkiezing van de diakenen, Handelingen 6, en bij de besluiten van het Apostelconvent, Handelingen 15. De aanspraak "adelphoi" (broeders) in Hand. 1:16 en Hand. 6:3 wordt door bekwame exegeten uitgelegd als uitsluitend de broeders, die tot het verkiezingswerk geroepen werden.[9] Ook is de verkiezing tot het ambt geen advies, maar een daad van algemene regeermacht van de gemeente. Een advies kan de kerkenraad naast zich neerleggen, maar de stem van de gemeente is een keurstem met mede beslissende invloed. De verkiezing is daarom een uitoefening van de kerkregering; wanneer de kerkenraad gemeenteleden oproept om mee te stemmen, roept hij hen op om mee te werken aan de uitoefening van de kerkregering. Voetius, de vader van het gereformeerde kerkrecht, stelt dat de verkiezing behoort tot de algemene regeermacht.[10] De vrouw is krachtens de Scheppingsorde uitgesloten van onderwijzen en regeren in de gemeente. Het kiesrecht is een daad van regeren. De vrouw heeft tegenover de man een dienende, niet een heersende plaats, 1 Korinthe 11. Paulus verbiedt op grond van de Scheppingsorde aan de vrouwen het onderwijzen en regeren in de gemeente, 1 Korinthe 14:34-36 en 1 Timotheüs 2:11-14. Calvijn stelt dat de vrouw zich niet de taak mag aanmatigen om in het openbaar te spreken of onderricht te geven, omdat God dit alleen aan mannen heeft opgedragen.[11] Het recht om deel te nemen aan kerkelijke verkiezingen vloeit niet voort uit het ambt van de gelovigen. Er is niet een soort "geestelijk of kerkelijk of christelijk natuurrecht" waaruit bevoegdheden of rechten voortvloeien. Het kiesrecht, net als in het staatkundige leven, is een positief recht, een gegeven recht. Christus heeft aan de gemeente het recht gegeven om, onder leiding van het ambt, personen voor het ambt te verkiezen.[12] Ten slotte laat de praktijk ook duidelijk zien dat openstelling van de ambten voor vrouwen onmogelijk tegen te houden is.[13] Bijkomend argument voor Tanis betreft het feit dat, wanneer de beslissing aan de plaatselijke kerk wordt overgelaten, er grote rechtsonzekerheid ontstaat. Immers als de vrouw, die in de ene kerk het kiesrecht bezit verhuist naar een andere, waar dit kiesrecht niet wordt toegekend, wordt haar onrecht aangedaan wanneer naar Gods voorschrift haar dat recht wordt onthouden.[14] In een groot aantal revisieverzoeken - toen bezwaarschriften genoemd - kwamen deze bezwaren onverminderd terug; zij richten zich tegen de aantasting van het Schriftgezag, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de kerkorde, gewetensbezwaren, waardoor de bezwaarde kerkenraden zoals Barendrecht, Katwijk, Urk en Dordrecht-Centrum het besluit van de Generale Synode niet voor vast en bondig kunnen houden.[15]
Fundamentele kritiek
De bezwaren van de verschillende kerkenraden met betrekking tot het Schriftgezag vormen een fundamentele kritiek op het synodebesluit over het vrouwenkiesrecht. Volgens bezwaarden, ontbreekt elke positieve Schriftuurlijke grond voor het toekennen van een goddelijk recht of een roeping aan de vrouw om deel te nemen aan verkiezingen. De kern van het verweer is dat de synode de duidelijke aanwijzingen van de Heilige Schrift over de plaats en taak van de vrouw negeert of onterecht als tijdgebonden verklaart.[16] Verder wordt benadrukt dat de apostolische praktijk in het Nieuwe Testament eenduidig is: bij de verkiezing van ambtsdragers werden uitsluitend mannen opgeroepen om hun medewerking te verlenen. De kerkenraden stellen dat de Schrift expliciet de ondergeschiktheid van de vrouw aan de man leert, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, en dat deze scheppingsorde van God onveranderd blijft in de christelijke gemeente. Het toekennen van kiesrecht aan de vrouw wordt gezien als een aantasting van deze door God ingestelde orde, omdat de vrouw hierbij als gelijke van de man optreedt in zaken van gezag. Specifiek wordt daarbij beroep gedaan op de "zwijgteksten" in 1 Korinthe 14 en 1 Timotheüs 2. Deze voorschriften mogen niet genegeerd worden. Het deelnemen aan een stemming is een vorm van "meespreken" en het uitoefenen van invloed op de regering van de kerk, wat de vrouw volgens de Schrift niet is toegestaan. De kerkenraad van Katwijk aan Zee spreekt in dit verband bijvoorbeeld van een "onjuiste Schriftinterpretatie" die de weg opent naar de vrouw in het ambt.[17] Dit fundamentele bezwaar ten aanzien van de gevolgde exegese komt ook naar voren in het minderheidsrapport van ds. P. Roos. Hij stelt dat de duidelijkheid van de Heilige Schrift in het geding is en verzet zich tegen de kwalificatie van dit onderwerp als een "middelmatige zaak”. Volgens de bezwaarden is de verschuiving in het standpunt van de synode niet gebaseerd op een dieper verstaan van de Bijbel, maar op een toegeven aan wereldse invloed, zoals het rationalistisch-individualisme en de 19e-eeuwse emancipatiegeest. Daaruit wordt geconcludeerd dat, op grond van de Schrift en de belijdenis, het besluit niet voor "vast en bondig" kan worden gehouden. [18]
Hetzelfde soortelijk gewicht
Wat opvalt bij de bezwaarde minderheid van destijds inzake vrouwenkiesrecht en de huidige meerderheid van nu ter zake van ViA, is dat beide onderwerpen van hetzelfde soortelijk gewicht zijn. Toentertijd maakte de minderheid geen onderscheid tussen vrouwenkiesrecht en het openstellen van de ambten. De principiële bezwaren tegen vrouwenkiesrecht en ViA zijn identiek. Er is sprake van hetzelfde Schriftverstaan, omdat beide in beide gevallen sprake is regeerdaden. De bezwaarde minderheid van toen maakte op geen enkel moment enig onderscheid tussen vrouwenkiesrecht en ViA. Sterker, uit hun bezwaren blijkt dat zij die beide onderwerpen dermate nauw met elkaar verweven achtten dat het aanvaarden van het vrouwenkiesrecht onontkoombaar tot het openstellen van de ambten zou leiden. Ondanks de fundamentele bezwaren, die, blijkens de bezwaarschriften uit 1971, zelfs zover gingen dat het synodebesluit van 1968 niet voor ‘vast en bondig kon worden gehouden’, als bedoeld in artikel 31 K.O., was het besluit van de Generale Synode Rotterdam in 1971 geen reden om het kerkverband te verlaten. Dat is opmerkelijk. Immers, het zou voor de hand hebben gelegen dat de bezwaarde minderheid in geweten het vrouwenkiesrecht niet zou hebben kunnen verdragen, omdat het naar haar overtuiging in strijd is met Schrift, belijdenis en kerkorde. De verklaring hiervoor ligt naar het zich laat aanzien in het feit dat vrouwenkiesrecht aan de vrijheid van de plaatselijke kerken is overgelaten en de Generale Synode bij de afwijzing van de bezwaren expliciet uitsprak dat het verschil van inzicht gezien moet worden als een zaak van verschillende toepassing van de Heilige Schrift, die deze medewerking van de zusters aan de verkiezing niet uitdrukkelijk gebiedt noch verbiedt en ‘dat de kerken bij verschil van inzicht elkaar moeten dragen in de geest der liefde en in een sfeer van vertrouwen, luisterend naar en zich buigend onder Gods Woord.’[19]
Buiten het gezichtsveld
De gevoerde discussie over vrouwenkiesrecht in 1968 en de uitspraak van de Generale Synode van Rotterdam in 1971 lijken in de discussie en besluitvorming over ViA buiten het gezichtsveld van de kerken te zijn geraakt. Feit is echter dat de argumentatie van de minderheid over vrouwenkiesrecht van toen, dezelfde argumenten van de meerderheid over ViA van nu betreffen. De kern van de argumentatie, zowel nu als vijftig jaar geleden, berust bijvoorbeeld op de overtuiging dat God een fundamentele orde in de schepping heeft gelegd. Het meerderheidsrapport betreffende instructies inzake vrouwelijke ambtsdragers benadrukken een "doorgaande Bijbelse lijn" waarin de man als 'hoofd' wordt aangewezen naar het voorbeeld van Christus.[20] Dat komt overeen met de minderheidsrapporten uit 1968 en 1971, waarin werd gesteld dat de vrouw krachtens de schepping een "andere plaats" en een "dienende taak" heeft gekregen. In beide tijdvakken worden de zogenaamde "zwijgteksten", zoals 1 Korinthe 14 en 1 Timotheüs 2 niet gezien als tijdgebonden culturele uitingen, maar als universele voorschriften. Waar men in 1971 stelde dat de vrouw een "niet-heersende plaats" in de gemeente heeft, voert de huidige meerderheid aan dat openstelling van ambten de door God gewilde eigen posities van man en vrouw de facto zou doen verdwijnen. In de bespreking over ViA wordt door de huidige meerderheid gesteld dat geestelijk leidinggeven en tucht taken zijn die de Schrift exclusief toekent aan bekwame mannen, wat naadloos aan bij het minderheidsstandpunt van 1968, dat de verkiezing niet ziet als een vrijblijvend advies, maar als een "daad van regeermacht”. Doordat de vrouw niet mag regeren, mag zij ook niet deelnemen aan de verkiezing, aangezien dat een uitoefening van de "regeermacht" is. In 1968 en 1971 vond de minderheid dat de Schrift leert dat ambtsdragers alleen uit de broeders gekozen mogen worden, terwijl de huidige meerderheid er nog steeds van overtuigd is dat geestelijk leidinggeven en tucht taken zijn die de Schrift toekent aan mannen.
Principe van Jakobus
Waar de standpunten van de toenmalige minderheid en de huidige meerderheid uiteenlopen, is dat de minderheid van toen zich niet gebonden achtte aan het synodebesluit dat vrouwen kiesrecht toestaat, omdat, zoals ds. Roos dat verwoordde, ‘niemand, en dat geldt ook voor de bezwaarden, een ander dwingend mag binden tot een wijze van handelen, waarvan de ander op grond van de Schrift de noodzaak niet inziet’.[21] En, zo mag redelijkerwijze verondersteld worden, zal de huidige meerderheid, dan wel een groot deel van die huidige meerderheid, er nog steeds zo over denken. Voor haar is het besluit om aan vrouwen kiesrecht te geven nog steeds geen middelmatige zaak; een dergelijk besluit kan zij dan ook vandaag de dag niet voor vast en bondig houden, omdat het in strijd is met haar geweten. Het is - gelet op het principiële gewicht van de bezwaren van de toenmalige minderheid tegen vrouwenkiesrecht - onwaarschijnlijk dat die toenmalige minderheid en huidige meerderheid het besluit van de synode om aan vrouwen kiesrecht te geven vandaag de dag voor vast en bondig houden. Immers, zowel toen als nu, wordt het toestaan van vrouwenkiesrecht gezien als de aantasting van het Schriftgezag. Het kenmerkende verschil is dat de meerderheid van toen overeenkomstig het principe van Jakobus 3:17 handelde, terwijl de meerderheid van nu dat principe uit het oog verloren lijkt te hebben. Waar de toenmalige meerderheid oog had voor de principiële bezwaren van de minderheid, lijkt de huidige meerderheid daar minder oog voor te hebben. Waar de toenmalige meerderheid er vrijwillig voor koos om zijn recht om vrouwenkiesrecht onvoorwaardelijk in te voeren niet uitoefenende, omdat zij inzag dat de vrede in de kerk zwaarder weegt dan haar eigen overtuiging, lijkt de huidige meerderheid onverkort te willen vasthouden aan haar gelijk en is zij niet geneigd met minder genoegen te nemen. Het lijkt erop dat de huidige meerderheid angst ervaart door ruimte te geven aan plaatselijke kerken om ambten open te stellen, omdat daardoor de waarheid geweld zou kunnen worden aangedaan. Om die reden lijkt de huidige meerderheid, in de woorden van Jakobus, "hoog van de toren blazen", Jakobus 3:14, om het eigen gelijk te beschermen; dat wil zeggen dat de verdedigingsreflex groter lijkt dan de luisterbereidheid van de meerderheid. De wijsheid wordt dan een verdedigingsmuur in plaats van een brug. Jakobus 3 waarschuwt de meerderheid juist tegen zelfhandhaving en nodigt haar uit tot de bereidheid om open te staan voor redelijke tegenargumenten. Ondanks het feit dat de meerderheid van destijds vrouwenkiesrecht eerder zag als een middelmatige zaak, in tegenstelling tot de huidige meerderheid, die vrouwenkiesrecht en ViA van principieel gewicht beschouwt, is de toenmalige minderheid, omwille van de eenheid van het kerkverband, toch niet tot het uiterste gegaan door haar principes te laten prevaleren, omdat dat ongetwijfled toen al tot een kerkscheuring had geleid. Zij bleek echter bereid met minder genoegen te nemen door de door de meerderheid geboden vrijheid te benutten en vrouwenkiesrecht, op grond van Schrift en belijdenis ex artikel 31 K.O., niet te aanvaarden, door haar niet in te voeren in de eigen plaatselijke gemeente. Daarmee zette zij haar fundamentele wantrouwen, zijnde het wantrouwen tegen de verandering in de kerk terzijde. Zij koos er destijds voor om haar eigen standpunt niet ten koste van de eenheid te handhaven door met de meerderheid mee te buigen, zoals de meerderheid meeboog met de minderheid en bereid was om met minder genoegen te nemen.
Wijsheid van boven
En daarmee gaven de toenmalige meerderheid en minderheid er beiden blijk van de ‘wijsheid van boven’ te verkiezen boven de ‘wereldse wijsheid’, die tot wanorde leidt. In de huidige crisis van de CGK is er alle reden om het principe van Jakobus te volgen, namelijk door voor de wijsheid van boven te kiezen, die voor alles zuiver is, vredelievend, mild en meegaand; ze is vol ontferming en brengt niets dan goede vruchten voort, ze is onpartijdig en oprecht. Dat heeft zich in de afgelopen jaren ook nadrukkelijk bewezen. Over de kwestie vrouwenkiesrecht hebben zich geen conflicten nadien voorgedaan die aanleiding waren voor een kerkscheuring, zoals heden ten dage bij de besluiten omtrent ViA helaas wel het geval lijkt te zijn. Evenmin zijn er onoverkomelijke problemen ontstaan doordat in de ene plaatselijke gemeente wel vrouwenkiesrecht mogelijk is en in de andere niet. De angst voor de gevolgen van rechtsongelijkheid blijkt daarmee ongegrond te zijn. Het kerkverband heeft ruim vijftig jarenlang met de verscheidenheid binnen gemeenten met betrekking tot het vrouwenkiesrecht gefunctioneerd zonder dat er sprake was van een kerkscheuring. De wijsheid van boven heeft wat dat betreft niets anders dan goede vruchten voortgebracht. En de Wijsheid van boven - Jezus - is daarvan het levende bewijs. Immers, Hij was het ‘die de gestalte van God had, geen aanspraak maakte om aan God gelijk te zijn, maar er afstand van deed door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden’, Filippenzen 2:6-7. Door "aan de mensen gelijk te worden", boog Hij volledig mee naar onze situatie, in plaats van de ijzeren wet van de goddelijke afstand te handhaven. Jakobus 3:18 zegt dat de vrucht van gerechtigheid wordt gezaaid in vrede. Dit is precies wat de engelen zongen bij de geboorte: ‘Eer aan God in de hoogste hemel, en vrede op aarde voor de mensen die Hij liefheeft.’ Als het Kind in de kribbe bij uitstek de Wijsheid van boven is, die de Vredevorst is, en de vroegere meerderheid bereid was ruimte te geven aan de minderheid, die deze ruimte omwille van de vrede aanvaardde, zou het ook vandaag de dag binnen de CGK mogelijk moeten zijn om als huidige meerderheid ruimte te geven aan de huidige minderheid, die haar aanvaardt, alles omwille van de vrede. Het vasthouden aan principes door de meerderheid, door het ontnemen van vrijheid aan plaatselijke kerken, is ‘wijsheid van beneden’, die tot wanorde leidt, terwijl de wijsheid van boven juist vrede geeft. Alle reden dus om de wijsheid van boven te benutten, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] Onjuist preadvies | Vrije-Interpretatie. (2025, 30 januari). https://tinyurl.com/yw2mvptf;
[2] GS 2019-2022. (2022b). Rapport 2A (Meerderheidsrapport) van Commissie 7 inzake revisieverzoeken “Vrouw
en ambt”, 11.14/59;
[3] Spiegel van de CGK geschiedenis | Vrije-Interpretatie. (z.d.). https://vrije-interpretatie.nl/spiegel-van-de-cgk-geschiedenis;
[4] Velema, J. H., raad van de kerk van Zwolle, Hilbers, A., Gispen, W. H., Geels, J. W., Berkhoff, Ds., De Bruyne, L., & Hilbers, A. H. (1965). ACTA van de GENERALE SYNODE van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, Zwolle-Apeldoorn, 31 au gustus 1965 - 13 januari 1966.
[5] Velema, J. H., raad van de kerk van Zwolle, Hilbers, A., Gispen, W. H., Geels, J. W., Berkhoff, Ds., De Bruyne, L., & Hilbers, A. H. (1965). ACTA van de GENERALE SYNODE van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, Zwolle-Apeldoorn, 31 augustus 1965 - 13 januari 1966, pagina 105
[6] Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. (z.d.-b). ACTA van de GENERALE SYNODE van de Christelijke Gerefor meerde Kerken in Nederland te Hilversum.
[7] De Bruyne, 1, & Spijker, W. (1971). ACTA van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland gehou den te Rotterdam 24 augustus 1971 - 6 januari 1972.
[8] MINDERHEIDSRAPPORT BETREFFENDE HET KIESRECHT VAN DE GEMEENTE. (z.d.). In BIJLAGE LXXXII (p. 329).
[9] t.a.p., pagina 329: "Wanneer we die Schriftgedeelten bestuderen valt ons op, dat de vrouw nimmer aan de
verkiezing heeft deelgenomen.";
[10] t.a.p., pagina 330: "De verkiezing is niet adviseren, maar regeren. Het is een daad van regeermacht, die door
de gemeente wordt uitgeoefend.";
[11] t.a.p.,pagina 330: "Paulus verbiedt op grond van de scheppings-ordinantie aan de vrouwen het onderwijzen
en regeren in de gemeente." ; "De vrouw heeft een dienende, niet een heersende plaats".
[12] t.a.p., pagina 329-330:"Er is niet een soort geestelijk of kerkelijk of christelijk natuurrecht der gelovigen, noch individueel noch collectief, waaruit bevoegdheden of rechten voortvloeien."
[13] t.a.p.,pagina 331:"Het actieve kiesrecht heeft reeds geleid tot het passieve. En daar komt men beslist terecht. Een afbakening is beslist niet mogelijk."
[14] t.a.p., pagina 331: Wanneer de beslissing aan de plaatselijke kerk wordt overgelaten, zal er grote
rechtsonzekerheid ontstaan. Immers als de vrouw, die in de ene kerk het kiesrecht bezit verhuist naar een andere, waar dit kiesrecht niet wordt toegekend, wordt haar onrecht aangedaan wanneer naar Gods ordinantie haar dat recht wordt onthou den.
[15] De Bruyne, 1, & Spijker, W. (1971b). ACTA van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerken in
Nederland gehouden te Rotterdam 24 augustus 1971 - 6 januari 1972.
[16] t.a.p.: pagina 214: "Dat van een Goddelijk recht of roeping der vrouw om aan de verkiezingen deel te
nemen in de Heilige Schrift niets vermeld wordt."
[17] t.a.p.: pagina 216: "De vrouw die God vreest begeert geen medezeggenschap in de gemeente. Het 11e en
14e hoofdstuk uit de Korinthenbrief is niet voor tweeerleï uitleg vatbaar."
[18] t.a.p.: 217: “dat het besluit van de synode 8 januari 1969 genomen de gewetens van velen in onze kerken bezwaart, die dit niet voor vast en bondig mogen houden op grond van de Schrift, belijdenis en kerkorde”;
[19] t.a.p., pagina 50
[20] A. Versluis. (2021b). Rapport 20b van commissie 7 betreffende instructies inzake vrouwelijke ambtsdragers (8.04). In Rapport 20b van Commissie 7.
[21] De Bruyne, 1, & Spijker, W. (1971b). ACTA van de Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerken in
Nederland gehouden te Rotterdam 24 augustus 1971 - 6 januari 1972, pagina 220

Reactie toevoegen