Paradox van gehoorzaamheid

Naar aanleiding van kritiek op het artikel ‘Vrome praatjes’, worden de bezwaren in een serie bijdragen weersproken. In deze Vrije-Interpretatie staat het verwijt van het ‘stroman-argument’ centraal. De komende tijd zullen ook de beschuldigingen van een ‘bizarre valse David-analogie’ en ‘stuitende hypocrisie rondom kerkrecht’ aan de orde komen.
In deze eerste reactie is er aandacht voor hoe ds. Egas in zijn interview met CVandaag het jaar 1834 niet slechts gebruikt voor historische identificatie, maar als directe legitimatie voor de Rijnsburggroep. Zijn claim dat er geen sprake is van 'afscheiding' maar van 'hergroepering', is in het licht van het aloude christelijk gereformeerde beginsel onhoudbaar. 'Hergroepering' blijkt hier louter semantiek voor afscheiding. Sterker nog: het beroep op 1834 staat het huidige streven van de Rijnsburggroep feitelijk in de weg.

paradox van gehoorzaamheid
Hans Bügel

Met een explosie van emoties bekritiseert de heer Remmelzwaal de Vrije-Interpretatie ‘Vrome praatjes’. Er zou sprake zijn van fundamentele denkfouten. Remmelzwaal zegt namelijk dat de tekst stroman argumentatie bevat, bizarre valse David-analogie hanteert en blijk zou geven van stuitende hypocrisie rondom kerkrecht. Vervolgens vraagt Remmelzwaal zich retorisch af wie de ware scheurmaker is. Hij komt tot de conclusie dat het artikel geen theologische handreiking zou zijn, maar een poging om de theologische opponent monddood te maken door middel van hypocrisie en karaktermoord. De door Remmelzwaal gebruikte diskwalificaties kunnen onbesproken blijven, want die zijn voor zijn eigen rekening en risico, maar de inhoudelijke bezwaren behoeven weerspreking. In een aantal Vrije-Interpretaties zal Remmelzwaals kritiek worden weerlegd. In deze Vrije-Interpretatie zal worden uitgelegd dat uit het interview in CVandaag met ds. Egas blijkt dat hijzelf de Afscheiding niet alleen als identificatie gebruikt, maar ook als legitimatie voor de handelswijze van de Rijnsburggroep. Uitgelegd wordt dat dit beroep op 1834 onterecht is, omdat ds. Egas en de Rijnsburggroep niet aantonen dat de CGK valse kerken zijn. De Vrije-Interpretatie ‘Vrome praatjes’ is namelijk niet bedoeld om de Rijnsburggroep te diskwalificeren, maar om haar te wijzen op haar tekortschietende argumentatie om zich van de CGK af te mogen afscheiden. En dat in de hoop dat de Rijnsburggroep zich toch nog bedenkt en op haar schreden terugkeert. Die hoop geldt in ieder geval voor twijfelende kerkenraden. Hopelijk beseffen zij dat het zich afscheiden van de CGK niet de juiste keuze is.

Identificatie en legitimatie
Waarop de beschuldiging van Remmelzwaal gebaseerd is dat er in ‘Vrome praatjes’ gesteld zou zijn dat ds. Egas de actie van 1834 zou willen kopiëren, is onduidelijk. Feit is wel dat uit het interview met Egas blijkt dat hijzelf, en in zijn kielzog de Rijnsburggroep, het handelen van de Rijnsburggroep wil legitimeren met een beroep op onder andere 1834. Daarmee wil niet gezegd zijn dat sprake is van kopieergedrag, maar wel dat de Rijnsburggroep haar handelen rechtvaardigt onder verwijzing naar onder andere 1834. De kern van het betoog in 'Vrome praatjes' is dat het beroep van ds. Egas en de Rijnsburggroep op 1834, althans hun verwijzing daarnaar feitelijk, historisch maar ook rechtens ongegrond is. Ds. Egas rechtvaardigt de hergroepering van de Rijnsburggroep met het argument dat dit nodig is, omdat een aantal gemeenten zich volgens Egas niet langer houdt aan het oorspronkelijke beginsel. Om trouw te kunnen blijven aan het aloude christelijk gereformeerde beginsel, is het volgens ds. Egas nodig om het kerkverband opnieuw vorm te geven, onder meer door de opbouw van een nieuwe classisstructuur. Op die manier zegt de Rijnsburggroep gereformeerd te zijn zoals dat was in 1834 en 1892. Door te benadrukken trouw te willen blijven aan het beginsel van 1834, zegt ds. Egas zelf dat dit de reden is voor de hergroepering door de Rijnsburggroep. Zoals in 1834 ds. De Cock zich van de Nederlandse Hervormde Kerk afscheidde, omdat die kerk de Heer niet langer op zuivere wijze diende, zo wil de Rijnsburggroep zich hergroeperen, omdat een aantal kerken binnen de Christelijke Gereformeerden Kerken niet langer meer trouw zouden zijn in het dienen van de Heer. Dat het volgens de Rijnsburggroep geen scheuring mag heten, omdat het conflict zich voltrekt binnen een kerkverband en niet in een plaatselijke kerk, maakt dit inhoudelijk niet anders. Uit het hele interview wordt duidelijk dat ds. Egas de handelswijze van de Rijnsburggroep probeert te legitimeren door zich te beroepen op onder andere de Afscheiding. Er is niet alleen sprake van identificatie met de Afscheiding, maar ook nadrukkelijk van een legitimatie op grond van de Afscheiding.

Akte van Afscheiding of Wederkeer
Ds. Egas gebruikt de verwijzing naar het aloude christelijke gereformeerde beginsel niet slechts om de aard van de Rijnsburggroep te karakteriseren, maar ook om te bewijzen dat de Rijnsburggroep bevoegd is tot haar handelen op grond van het aloude christelijke gereformeerde beginsel. In reactie daarop is de Akte van Afscheiding of Wederkeer, in  'Vrome praatjes' ter sprake gebracht, omdat daarin het aloude christelijke gereformeerde beginsel tot uitdrukking is gebracht. Op basis daarvan is uitgelegd dat trouw zijn aan dat aloude beginsel meer inhoudt dan een vertrouwensbreuk vanwege het feit dat een aantal kerken zich niet houdt aan synodale besluiten. Daarvoor moet namelijk een spade dieper worden afgestoken. Op basis van historische feiten uit de Akte van Afscheiding en Wederkeer is aangetoond dat het toen niet enkel ging om een vertrouwensbreuk, maar om de vaststelling dat de Nederlandse Hervormde Kerk een valse kerk was. Het gaat over wezenlijk iets anders en het is van beduidend groter gewicht; het gaat om de constatering dat een kerk vals is, die, ex artikel 29 NGB, aan zichzelf en haar eigen regels meer macht en autoriteit toekent dan aan het Woord van God, en die meer vertrouwt op menselijke ideeën dan op Christus. Daarover schreef professor W. Kremer in dit verband onder meer:

Dit meer is derhalve beslissend. De belijdenis zegt niet dat het Woord Gods daar niet meer is. Ook niet dat het daar niets meer betekent. Alleen, er is geen volledige onderwerping aan dat Woord. Aan dat Woord Gods is niet in de zaken der kerk het eerste en het laatste woord. Zo is het ook met de tegenwoordigheid van Christus. Is Christus er niet meer? Dat zegt de belijdenis zonder meer niet. Maar Christus komt er niet tot volledige heerschappij. Mensen en mensenplannen verduisteren Hem in zijn glorie. (...) Ik zie het zo: Wanneer Jezus Christus zegt: Dit ben ik en dat zijn de feiten waarin en waardoor ik verlossing teweeg gebracht heb en nog heden schenk, dan moet dit voor de kerk zo vast staan dat zij van allen die tot haar behoren eist dit te erkennen. Wanneer ik niet onvoorwaardelijk buig voor de grote Kerkvergaderaar Jezus Christus en begin met hem in zijn majesteit te erkennen, dan heb ik de levensader der kerk, die naar Art. 27, de vergadering is der ware Christ-gelovigen, die al hun heil en zaligheid alleen van Jezus Christus verwachten, doorgesneden. Zie Zondag 21 Catech”.[1]

Het is dus eenvoudigweg niet waar dat er in 'Vrome praatjes' een standpunt is verzonnen, omdat vervolgens theatraal onderuit te halen. Integendeel, ds. Egas werd geconfronteerd met de consequenties van zijn eigen argumenten, namelijk het beroep op het aloude christelijke gereformeerde beginsel, dat niet anders is dan de volledige onderwerping aan Gods Woord en aan Jezus Christus. Met argumenten is aangetoond dat het beroep op een vertrouwensbreuk vanwege het niet nakomen van synodebesluiten door een aantal kerken, geen rechtvaardiging is om zich te hergroeperen op grond van het aloude beginsel waarnaar ds. Egas verwijst. Immers, voor zover er kerken zijn binnen de CGK die besluiten rondom ViA en homoseksualiteit niet voor vast en bondig houden, doen zij dat omdat zij in geweten ervan overtuigd zijn dat zij die besluiten niet te kunnen aanvaarden. Die besluiten oefenen dwang uit over hun geweten en versterken bovendien niet de saamhorigheid, eenheid en de gehoorzaamheid aan God of houden die niet in stand.[2] Daarom mogen die kerken deze besluiten niet voor vast en bondig houden, omdat zij dan synodebesluiten, in strijd met artikel 7 NGB, gelijk of zelfs boven Gods Woord stellen.[3] Aangetoond is dat ds.Egas en ook de Rijnsburggroep niet van de bestaande CGK kan zeggen dat zij bestaat uit valse kerken. Dat van een valse kerk geen sprake is, is ook in ‘Vrome praatjes’ op gewezen. Uit het synodebesluit over ViA blijkt bijvoorbeeld dat een andere opvatting over ViA niet problematisch is, maar daaruit blijkt vooral dat de minderheid zich moet voegen naar dat synodebesluit in het belang van de kerkelijke eenheid. En als de Rijnsburggroep de mening is toegedaan dat kerken die synodebesluiten niet voor vast en bondig houden, als valse kerken aangemerkt moeten worden, rust op haar de plicht om het kerkverband te verlaten, omdat zij zich dan moet afscheiden van die valse kerken, overeenkomstig artikel 28 NGB. Het punt is dus dat in essentie voor de Afscheiding gold dat de overtuiging bestond dat er geen volledige onderwerping van de kerk meer was aan het Woord van God en geen volledige erkenning van de heerschappij van Jezus Christus over de kerk. Dat wordt onder meer in de Akte van Afscheiding en Wederkeer in scherpe bewoordingen aangemerkt als oorzaak voor de Afscheiding naar artikel 28 NGB. Daarbij wordt expliciet uitgesproken dat de Afgescheidenen zich afkeren van de kerkelijke hiërarchie, de valse leer en onzuivere kerkelijke liturgie. En als ds. Egas en de Rijnsburggroep zouden vinden dat hiervan ook binnen de CGK sprake zou zijn, dan is er geen andere mogelijkheid om de CGK te verlaten, overeenkomstig artikel 28 NGB. Echter, in ‘Vrome praatjes’ is uiteengezet dat de situatie van 1834 zich in de CGK niet voordoet. Er is geen sprake van valse leer en verwaarlozing van de sacramenten en onzuivere kerkelijke liturgie; er is wel sprake van kerkelijke hiërarchie, maar daarvan zijn ds. Egas en de Rijnsburggroep een groot voorstander, omdat zij vinden dat synodebesluiten onverkort moeten worden nagekomen. Met andere woorden, een beroep op het aloude beginsel van het christelijke gereformeerde beginsel staat aan een hergroepering of afscheiding door de Rijnsburggroep in de weg.

Semantiek
De door ds. Egas en de Rijnsburggroep gehanteerde semantiek verandert daar niets aan. Dat de CGK als kerkverband niet gelijk te stellen is met een plaatselijke kerk, die een zelfstandige en volledige kerk is, zodat in strikte zin geen sprake kan zijn van het zich afscheiden van de kerk, betekent niet dat dezelfde maatstaven van artikel 29 NGB niet analoog toegepast kunnen worden op het kerkverband; het kerkverband is immers een uitdrukking van de kerk in geestelijke zin zijnde de totaliteit als de sanctorum communio. Dat is niet de kerk in institutionele -, maar in contractuele zin; dat is het antwoord op de Gods gegeven opdracht om als zelfstandige kerken samen te werken.[4] Als er sprake is van een valse plaatselijke kerk, die onderdeel uitmaakt van een samenwerking van kerken in een kerkverband, brengt dat de verplichting mee zich van het kerkverband af te scheiden. Hergroeperen is daarmee een synoniem voor afscheiden, omdat het praktisch op hetzelfde neerkomt, namelijk geen gemeenschap meer willen hebben met de kerken van het kerkverband die vals zijn of met kerken van het kerkverband die valse kerken tolereren. Immers, al een beetje desem maakt het hele deeg zuur.[5]

De Cock, vast en bondig
Saillant detail is echter dat de aanleiding voor de Afscheiding onder andere was dat de Nederlandse Hervormde Kerk eiste dat elke predikant in de kerkdienst een gezang zou laten zingen. Daartegen had ds. De Cock bezwaren, omdat hij veel gezangen in strijd vond met de belijdenis. Toen ds. De Cock in een brochure twee predikanten aanduidde als ‘wolven’ die ‘de schaapskooi van Christus’ aantasten, omdat zij zich tegen zijn streven keerden om in de kerkdienst een gezang te weigeren en in plaats daarvan een psalm te laten zingen, werd hij door het classicaal bestuur van Middelstum op 19 december 1833 geschorst. Het provinciaal kerkbestuur bepaalde de duur van de schorsing op twee jaren; desondanks hield De Cock zich niet stil. Hij schreef een aanbeveling in een boekje dat de evangelische gezangen verwierp; daarin noemde hij die gezangen ‘sirenische minneliederen, om de Gereformeerden als zingende van hun zaligmakende leer af te helpen’. Om die reden zette het kerkbestuur hem af.[6] De kerk eiste namelijk absolute gehoorzaamheid aan dat besluit, ook van ds. De Cock dus.  In feite handelde De Cock daarmee in strijd met het toen geldende kerkrecht en het synodebesluit om een gezang tijdens de kerkdienst te moeten laten zingen. En juist vanwege De Cocks gewetensbezwaren tegen het zingen van evangelische gezangen en zijn verzet daartegen, in strijd dus met het kerkelijk besluit, leidde dit tot schorsing en zelfs afzetting van ds. De Cock. En daarmee oefende de Nederlandse Hervormde Kerk gewetensdwang uit over De Cock. De bezwaren tegen die gewetensdwang worden in de Akte Afscheiding en Wederkeer expliciet benoemd. Het bijzondere is dat de Rijnsburggroep zelf kerken binnen de CGK het verwijt maakt dat zij zich niet aan synodebesluiten houden. En het zelfs de voornaamste reden lijkt voor de Rijnsburggroep om zich van de CGK af te scheiden, terwijl zij er vervolgens geen moeite mee lijkt te hebben dat ds. De Cock destijds ook op grond van zijn geweten een synodebesluit niet wilde aanvaarden en daarmee ongehoorzaam was aan de Nederlandse Hervormde Kerk. In deze tijd zijn er ook een aantal kerken die bepaalde besluiten niet voor vast en bondig kunnen houden op grond van hun geweten. Het is daarom op zijn minst opvallend dat ds. Egas en de Rijnsburggroep geen moeite hebben met de ongehoorzaamheid van ds. De Cock, maar het niet kunnen verdragen dat een aantal zusterkerken bepaalde besluiten niet gehoorzamen. Daarmee is het betoog van ds. Egas weldegelijk inconsequent. De hergroepering van de Rijnsburggroep wordt gemotiveerd met een beroep op de Afscheiding van 1834, maar zonder dat is komen vast te staan of is uitgesproken dat CGK-kerken valse kerken zijn geworden; daarentegen hekelen zij de ongehoorzaamheid van een aantal CGK-kerken, maar hebben zij geen moeite met gelijksoortige ongehoorzaamheid van ds. De Cock. Waar de kerk van Ulrum zich onder meer afscheidde vanwege de gewetensdwang van het kerkelijke bestuur over ds. De Cock, hergroepeert de Rijnsburggroep zich omdat er onvoldoende opgetreden wordt tegen kerken, die zich omwille van hun geweten, zich niet kunnen binden aan specifieke synodebesluiten.

Houdbaarheidstoets
En daarmee zijn er dus geen argumenten in ‘Vrome praatjes’ verzonnen, maar zijn de argumenten van ds. Egas getoetst op hun houdbaarheid ter rechtvaardiging van de afscheiding door de Rijnsburggroep. Gebleken is dat er sprake is van tekortschietende argumenten. Als ds. Egas zegt dat hij in de traditie van de Afscheiding wil staan, kerk wil zijn zoals de Afgescheidenen kerk wilden zijn in 1834, volgens het aloude christelijke gereformeerde beginsel, dan is het gerechtvaardigd om de omstandigheden en de redenen van toen om zich af te scheiden van de Nederlandse Hervormde Kerk te vergelijken met omstandigheden en redenen van nu om zich als Rijnsburggroep van de CGK af te scheiden. En dan blijkt dat het aloude beginsel eerder in de weg staat aan het zich van de CGK afscheiden dan dat de Rijnsburggroep daaraan steekhoudende argumenten ontleent om zich van de CGK af te scheiden.


Geen rechtvaardiging voor afscheiding
En dat is relevant; zeggen klassiek Christelijk Gereformeerd te willen zijn onder verwijzing naar de Afscheiding en het aloude christelijk gereformeerde beginsel, schept dan ook de verplichting dienovereenkomstig te handelen. Dat betekent dat het zich afscheiden van de CGK of het zich hergroeperen alleen kan onder strikte voorwaarden. Zolang daaraan niet is voldaan, is er geen gerechtvaardigd belang zich van de CGK af te scheiden. Het betekent ook dat er geen rechtmatige gronden zijn om zich als Rijnsburggroep als voortzetting van de CGK te zien. In de felle kritiek van Remmelzwaal ontbreken argumenten die aannemelijk maken dat zich binnen het CGK-kerkverband valse kerken bevinden, de sacramenten worden veronachtzaamd en aan de Rijnsburggroep synodebesluiten worden opgedrongen die zij op grond van Gods Woord, de belijdenis of de kerkorde niet voor vast en bondig kunnen houden. En daarmee creëert het handelen van de Rijnsburggroep wanorde, die zij niet simpelweg in de schoenen van kerken kunnen schuiven die, omwille van hun geweten, zich niet gebonden achten aan bepaalde synodebesluiten. Dat die situatie ingewikkeld is en tot discussie leidt, vervreemding en teleurstelling of misschien zelfs tot boosheid leidt, zoals bij Remmelzwaal, zijn echter geen redenen om de correspondentie met de kerken te verbreken waarvan niet is vastgesteld dat zij vals zijn; al helemaal niet als onderdeel van synodebesluiten de uitspraak is: “dat broeders en zusters die op het punt van ‘vrouw en ambt’ een visie hebben die afwijkt van de synodale besluiten, hun plaats in de kerken voluit kunnen innemen (...).” Ook niet met de toevoeging dat van die broeders en zusters wordt verwacht dat zij zich voor de kerkelijke praktijk voegen naar de besluiten van de synode. Ook ds. De Cock hield zich niet aan synodale besluiten toen hij die besluiten in zijn geweten niet in overeenstemming vond met de uitleg van de Schrift. Het zich onttrekken aan het kerkverband door de samenwerking op te zeggen is dus alleen in uitzonderlijke omstandigheden te rechtvaardigen, die zich binnen de CGK echter niet voordoen. Het zich afscheiden van de CGK is zeer ernstig en ingrijpend, want het staat in de weg aan de dringende oproep van de apostel Paulus om als CGKers altijd nederig, zachtmoedig en geduldig te zijn, en elkaar uit liefde te verdragen.[7] En dat is een pittige opdracht, zeker nu de gemoederen hoog opgelopen zijn, maar met Gods hulp geen onmogelijke; gehoor geven aan Paulus’ oproep voorkomt namelijk wanorde binnen de CGK, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede. 
________________
[1]idem 
[2] Effusion - www.effusion.nl. (z.d.-d). Van de orde en discipline of tucht der Kerk | Nederlandse-Geloofsbelijdenis.nl. Belijdenis. https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/artikel-32; 
[3] Effusion - www.effusion.nl. (z.d.-g). Volkomenheid der Heilige Schrift om alleen te zijn een regel des geloofs | Nederlandse-Geloofsbelijdenis.nl. Belijdenis. https://www.nederlandse-geloofsbelijdenis.nl/artikel-7; 
[4] Greijdanus, S. (z.d.-c). SCHRIFTBEGINSELEN VAN KERKRECHT INZAKE MEERDERE VERGADERINGEN. UITGEVERIJ J. BOERSMA ENSCHEDE, pagina 18. 
[5] Galaten 5:9
[6] De Jong, O. J. (1985). Nederlandse Kerkgeschiedenis (derde, aangevulde druk). Uitgeverij G.F. Callembach bv., 314-316.
[7] Efeze 4:2

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master