Komende week vergadert de generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken opnieuw en staat ook de samenwerking met andere kerken op de agenda. In het bijzonder zal het daarbij gaan over de samenwerkende en samenwerkingsgemeenten. Commissie 4 doet in haar rapport 8 daartoe voorstellen. Die voorstellen zijn in feite wijzigingen op de voorstellen die DOE heeft gedaan omtrent de samenwerkingsovereenkomst en de handreiking verkiezing ambtsdragers. De voorstellen dienen de kerken en in het bijzonder de samenwerkende en samenwerkingsgemeenten in het geheel niet. Zij zijn een rem op de plaatselijke samenwerking waardoor deze plaatselijke kerken nog meer klem en verloren raken. Het is te hopen dat de generale synode het belang van de samenwerkende en samenwerkingsgemeenten nadrukkelijk betrekt bij haar besluitvorming en onder ogen ziet. Bovendien blijken de voorstellen van de commissie in strijd met het eigen kerkrecht. Opnieuw wordt afgeweken van de beginselen van gereformeerd kerkrecht. Met het aanvaarden van deze voorstellen, wordt kerkelijke hiërarchie gelegitimeerd. Die ontwikkeling doet schade aan de kerken en de voortgang van het Evangelie. Immers, de eenheid tussen kerken binnen en buiten het kerkverband is wezenlijk voor de voortgang van het Evangelie, omdat, zo bad ook de Heer zelf, door de eenheid de wereld zal begrijpen dat Jezus door Zijn Vader naar de wereld is gezonden, omdat de Vader de wereld liefheeft, zoals de Vader Jezus liefheeft.

Veel genuanceerder
Er staat dus werkelijk iets op het spel komende week binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. De voorstellen van commissie 4 liggen in lijn met eerdere voorstellen van andere commissies die erop gericht zijn kerkelijke besluiten binnenkerkelijk praktisch te effectueren, zo nodig onder kerkelijke dwang. Daarbij wordt beroep gedaan op artikel 31 K.O. dat immers bepaalt dat meerderheidsbesluiten rechtsgeldig zijn en daarmee onverkort gelden voor alle kerken die behoren tot het kerkverband. Deze visie op de kerk en het kerkrecht ziet eraan voorbij dat artikel 31 K.O. veel genuanceerder is en juist niet beoogd om kerkelijke eenheid geforceerd af te dwingen, maar te realiseren door consensus of berusting dan wel verdraagzaamheid van de minderheid. Die berusting of verdraagzaamheid is geen loutere formaliteit of het gevolg van de wil van de meerderheid, maar berust op de overtuiging dat de minderheid een meerderheidsbesluit kan aanvaarden, omdat het besluit gegrond is op Gods Woord en het Schriftverstaan dat ten grondslag ligt aan het besluit niet heerst over het geweten van de minderheid. De kerk belijdt in artikel 32 NGB expliciet, dat zij geen besluiten aanvaardt, maar juist verwerpt, die dwang uitoefenen op het geweten. In de discussie over vrouw en ambt, en nu met betrekking tot relatie met andere kerkverbanden, blijft dit aspect buiten beeld; in strijd met het belijden van de kerk, worden kerkelijke besluiten verabsoluteerd, door hen dwingend op te leggen aan de kerken. Bij de besluitvorming over vrouw en ambt lagen zelfs voorstellen voor om hele kerkenraden door een classis af te zetten als zij geen gehoor zouden geven aan de kerkelijke uitspraak; vooralsnog is het niet zover gekomen gelukkig, omdat dan sprake is van kerkelijke hiërarchie dat niet overeenkomt met de beginselen van gereformeerd kerkrecht en daarmee strijdig met het kerkrecht. Dat de synode hierover geen besluiten heeft genomen was niet omdat zij de voorstellen op dit punt principieel verwerpelijk vindt, maar om praktische redenen. Met de voorstellen van commissie 4 worden opnieuw voorstellen gedaan die in strijd zijn met beginselen van gereformeerd kerkrecht en met het kerkrecht.

Minst verstrekkend
De voorstellen van commissie 4 zijn niet verrassend en bouwen voort op een reeds ingezette koers waarbij het eigen kerkrecht prevaleert binnen samenwerkingsgemeenten. Dit berust op het beginsel ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’. Met het beginsel ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’ wordt bedoeld dat kerkelijke besluiten van de CGK  voorgaan op kerkelijke besluiten van andere kerkverbanden. Ofschoon het begrip ‘minst vertrekkende kerkorde’ een diffuus begrip is, blijkt dat de CGK wil dat haar kerkelijke besluiten, als die de vrijheid van de kerken meer beperken dan besluiten over hetzelfde onderwerpen bij andere kerkverbanden, voorrang hebben op de besluiten van die andere kerkgenootschappen waarmee wordt samengewerkt. Dat geldt ten aanzien van bijvoorbeeld vrouw van ambt en haar uitspraak over homoseksuele praxis. Ofschoon de synode op vrijdag 15 november 2019 formeel een overweging uit 2016 heeft teruggenomen waarin werd gesteld dat ‘de minst verstrekkende kerkorde’ prevaleert, heeft zij tegelijkertijd uitgesproken dat die regel desalniettemin geldend kerkrecht is binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. Daarmee heeft de synode naar het verleden toe erkend dat het beginsel ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’ noch naar geschreven noch naar ongeschreven kerkrecht heeft bestaan, maar voor het heden en de toekomst het principe ‘minst verstrekkende kerkorde vigeert’ heeft verheven tot een formeel kerkelijk principe. Hoewel strikt genomen het beginsel niet met zoveel woorden wordt gebruikt door de commissie, blijkt uit de voorstellen dat het principe weldegelijk wordt toegepast en leidend is bij de beoordeling van de DOE-modellen.

Interkerkelijk kerkrecht
Door het fenomeen samenwerkende en samenwerkingsgemeenten is er soort van interkerkelijk kerkrecht ontstaan. Dat interkerkelijk kerkrecht vindt zijn grondslag voor de CGK in artikelen van de Kerkorde en is nader uitgewerkt in bijlage 8 van de kerkorde. In de bijlage zijn de voorwaarden om te komen tot nauwer kerkelijk samenleven opgenomen en zijn de gevolgen daarvan benoemd. Uit bijlage 8 blijkt dat het primaat om te komen tot nauwer plaatselijk kerkelijk samenleven bij de kerkenraad ligt. Hij moet, als hij heeft onderzocht dat is voldaan aan de voorwaarden voor nauwer samenleven en er bewilliging is door de gemeente, vervolgens de classis om haar oordeel vragen. Dat oordeel van de classis wordt gevormd door en is gebaseerd op de overtuiging dat betreffende kerkenraden onderling met elkaar hebben gesproken en overeenstemming hebben bereikt over de visie op de prediking, de gemeente, de sacramenten en de tucht. Het oordeel van de classis is een oordeel op formele gronden; zich ervan vergewissen dat er gesproken is over voornoemde onderwerpen en dat daarover overeenstemming is bereikt door de kerkenraden en de gemeente instemt met het nauwer samenleven. Een controlerende taak van de classis waarbij de bevoegdheid en verantwoordelijkheid volledig bij de kerkenraad ligt. Deze procedure past binnen het presbyteriale-synodale stelsel waarbij het primaat bij de kerkenraden liggen en de classis ondersteunt en adviseert. Voor zover de classis een rol speelt op de weg naar nauwer samenleven, is die bevoegdheid door de kerken bij gemeenschappelijke afspraak gegeven.

Aanvaarde modellen
De kerkorde zelf schrijft verder niets voor over hoe plaatselijke kerken hun nauwer samenleven vorm kunnen geven. De inhoud daarvan is omschreven, maar er zijn geen verdere voorschriften. Deputaten van de verschillende kerkverbanden, NGK, GKV en CGK treffen elkaar in het overleg deputaten eenheid en dit overleg staat bekend als DOE, Deputaten Overleg Eenheid. Het is dit overlegorgaan dat modellen heeft ontwikkeld die samenwerkingsgemeenten kunnen gebruiken om onder meer hun samenwerking te formaliseren. In 2013 heeft de synode het model samenwerkingsovereenkomst 2010/2011 aanvaard en heeft de synode van 2013/2014 dat herbevestigd. Naast de samenwerkingsovereenkomst heeft de synode in 2013 ook de handreiking verkiezing ambtsdragers aanvaard. Het samenspel van regels is ook door de samenwerkende kerkverbanden NGK en GKV aanvaard. De aanvaarding van de modellen is in feite niet anders dan de formele goedkeuring van de verschillende kerkverbanden om deze modellen te kunnen gebruiken als samenwerkingsgemeenten. Met deze goedkeuring kunnen samenwerkingsgemeenten erop vertrouwen dat de in die modellen neergelegde afspraken aansluiten bij en overeenstemmen met het kerkrecht van de verschillende samenwerkende kerkverbanden. Deze goedkeuring houdt geen verplichting in om de modellen te gebruiken en evenmin is het verboden om van de modellen afwijkende afspraken te maken in een samenwerkingsovereenkomst. Ook hier geldt dat de plaatselijke kerken het primaat hebben. Uiteraard zijn de samenwerkingsdelen gebonden aan het kerkrecht van de kerkverbanden waartoe zij behoren. Daarmee is  de samenwerkingsovereenkomst onderworpen aan het kerkrecht van twee of drie verschillende kerkverbanden. De DOE-modellen zijn dus formeel onderdeel van het kerkrecht van de CGK, maar zij zijn niet dwingendrechtelijk voorgeschreven in bijlage 8 van de CGK kerkorde. Het is dus mogelijk een samenwerkingsovereenkomst van eigen soort te sluiten, maar ook daarvan geldt dat het kerkrecht van de verschillende kerkverbanden daarop van toepassing is.

Conflictenregeling
De samenwerkingsovereenkomst komt tot stand tussen de samenwerkende kerkenraden. Zij sluiten een overeenkomst tot samenwerking en verbinden daardoor hun gemeenten aan rechten en plichten die uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeien. Deze bevoegdheid komt ook exclusief toe aan de kerkenraad. De classis heeft hier formeel geen bemoeienis mee. Het kenmerkende van het interkerkelijke kerkrecht is dat er sprake kan zijn van botsende kerkrechten; dat botsend kerkrecht zal zich voornamelijk voordoen als er bij de verschillende kerkverbanden elkaar tegensprekende besluiten worden genomen over dezelfde onderwerpen. In concreto is dat actueel terzake vrouw en ambt; GKV en NGK hebben de ambten voor vrouwen opengesteld, terwijl de CGK recentelijk, op 22 april 2022, het besluit van 1998 hebben herbevestigd dat gezaghebbend leidinggeven uitsluitend is voorbehouden aan mannen. Voor een plaatselijke samenwerkingsgemeente betekent dit een conflict van plichten. Om hieraan te ontkomen is er in het DOE-model samenwerkingsovereenkomst een conflictregeling opgenomen. Voor het huidige aanvaarde model is die bepaling opgenomen in artikel 5 van de samenwerkingsovereenkomst. De huidige aanvaarde samenwerkingsovereenkomst bepaalt namelijk ex artikel 5:

“Besluiten van meerdere vergaderingen van elk van de kerkverbanden worden als bindend aanvaard. Bij onderlinge strijdigheid zoekt de  kerkenraad een weg die de opbouw en de eenheid van de gemeente dient, en die zoveel mogelijk recht doet aan de bedoeling van alle besluiten. Hij legt zijn beslissing ter acceptatie voor aan de classis van het kerkverband dat het besluit nam waarvan afgeweken wordt.”

Uit deze conflictenregeling blijkt dat, als sprake is van tussen kerkverbanden genomen conflicterende besluiten,  de samenwerkende plaatselijke kerken een oplossing moet zoeken op basis van de criteria ‘opbouw’ en ‘eenheid’ van de gemeente en ‘zoveel mogelijk recht doen aan de bedoeling  van de besluiten.’ Als op basis daarvan een oplossing is gevonden en die oplossing inhoudt dat er wordt afgeweken van besluit van een van de kerkverbanden, legt de kerkenraad zijn beslissing voor aan de classis van dat kerkverband waarvan het besluit afwijkt. In artikel 5 staat dat de kerkenraad het besluit ter acceptatie voorlegt aan de classis. Iets ter acceptatie voorleggen suggereert dat er toestemming lijkt te moeten worden gevraagd aan de classis. Echter, uit het rapport over de werkzaamheden van het Deputaten Overleg Eenheid over de periode 2016-2019 blijkt dat dit niet de bedoeling is. Er is dus niet bedoeld om instemming te vragen aan de classis. En dat is ook niet onlogisch. Het presbyteriale-synodale stelsel gaat immers uit van het principe dat meerdere vergaderingen, zoals een classis, geen bevoegdheden hebben die niet op grond van de kerkorde aan hen zijn toegekend. Nergens in de kerkorde is aan de classis de bevoegdheid toegekend besluiten van een kerkenraad goed of af te keuren. Ook het besluit van de kerkenraad om tot nauwer samenleven te komen als plaatselijke kerk, is niet onderworpen aan goedkeuring van de classis; zij beoordeelt alleen of de kerkenraad zorgvuldig heeft gehandeld. Dat is ook verklaarbaar omdat één van de principes van gereformeerd kerkrecht is dat geen kerk mag heersen over de ander, ex artikel 85 K.O. Uit het vorenstaande blijkt dan ook dat het kerkrechtelijk zuiver is om de beslissing over conflicterende besluiten aan kerkenraad van de samenwerkingsgemeente over te laten. Dat deze kerkenraad zijn afwijkende besluit voorlegt aan de classis past in een zorgvuldige omgang van de kerken met elkaar.

Kerkelijke hiërarchie
Het is daarom begrijpelijk dat DOE een nieuw model samenwerkingsovereenkomst heeft gemaakt en juist terzake van de conflictenregeling de overeenkomst heeft gewijzigd; zij is beter en logischer geformuleerd en sluit dus beter aan op de kerkrechtelijke principes. Het voorstel van de commissie om de oude conflictenregeling weer op te nemen in het model 2017 is daarentegen onlogisch. Volgens de commissie zou de nieuwe conflictenregeling tot verwarring leiden, maar dat is in het licht van het voorgaande onwaarschijnlijk. Uit het DOE rapport wordt op niet mis te verstane wijze de conflictenregeling toegelicht. Die is volstrekt helder. Daarom is het nauwelijks anders denkbaar dan dat de werkelijke reden voor de commissie is dat het principe van ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’ moet worden toegepast. Immers, met een letterlijke uitleg van het huidige artikel 5 zou de classis immers het kerkenraadsbesluit moeten goedkeuren althans accepteren. Bij niet acceptatie van het besluit door de classis komt het besluit dan geen rechtskracht toe. Op die manier houdt het kerkverband grip op samenwerkingsgemeenten en kan worden voorkomen dat in samenwerkingsgemeenten bijvoorbeeld ambten voor vrouwen worden opengesteld. Dat daarmee niet anders dan kerkelijke hiërarchie wordt geïntroduceerd wordt op de koop toegenomen. Dat komt nog duidelijker naar voren in het voorstel van commissie om in de handreiking ambtsdragers weer de bepaling te willen opnemen dat, als in een kerkverband de ambten niet voor vrouwen openstaan, vrouwen geen passief kiesrecht toekomt. Die bepaling heeft DOE nu juist bewust eruit gehaald, omdat ook de handreiking uitgaat van het principe dat aan de kerkenraad het primaat is gegeven om, in lijn met de conflictenregeling uit de samenwerkingsovereenkomst, hierin zelf keuzes te maken die de opbouw en eenheid van de gemeente dienen en zoveel mogelijk recht doen aan de bedoeling van de besluiten. Bovendien ziet de commissie eraan voorbij dat het slechts om een handreiking gaat. Uit de inleiding op handreiking blijkt namelijk dat de handreiking facultatieve mogelijkheden aanreikt. De handreiking geeft namelijk aan dat het lijnen schets en mogelijkheden aangeeft. De handreiking is dus niet dwingendrechtelijk. Dat zou ook  raar zijn, want de samenwerkingsovereenkomst kent juist voor dit soort vraagstukken een conflictenregeling. De enige reden om de bepaling over passief kiesrecht voor vrouwen op te nemen is om de eigen kerkelijke regels te kunnen handhaven op basis van het principe ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’, door dat als regel van kerkrecht op te leggen aan samenwerkingsgemeenten. Dat is niet anders dan introductie van kerkelijke hiërarchie.

Hybride karakter
De voorstellen van de commissie zijn er duidelijk op gericht om vast te kunnen houden aan de eigen kerkelijke besluiten en uitspraken, met name die ter zake vrouw en ambt en homoseksualiteit. De voorstellen zijn er dan ook op gericht om de eigen kerkorde, het eigen kerkrecht te laten vigeren binnen samenwerkingsgemeenten. Het is niet anders dan het invulling geven aan het principe van ‘de minst verstrekkende kerkorde vigeert’. Daarmee wordt miskend dat de aard en het karakter van een samenwerkingsgemeente hybride is; het is een vermenging van verschillende bloedgroepen die elkaar herkennen en erkennen in Christus. Zij hebben eenheid gezocht zoals de CGK zelf altijd heeft gestimuleerd. Om samen te kunnen werken en verschillen in kerkelijke besluiten te overbruggen zal gezocht moeten worden naar beleid en daarop gebaseerde besluiten die recht doen aan de bedoeling van verschillende kerkelijke regels gericht op de opbouw en eenheid van de samenwerkingsgemeente. Daartoe schept de conflictregeling de mogelijkheid. Die regeling voldoet aan het presbyteriaanse-synodale kerkregering en daarmee verdraagt zich niet het principe dat de meest verstrekkende kerkorde vigeert. Met de voorstellen van de commissie zijn de kerken niet gediend, maar zullen zij nog verder klem en verloren raken. Wat als de plaatselijke kerken ervoor kiezen om niet langer die door de kerken aanvaarde modellen te gebruiken? Wat als in het eigen ambtsdragersreglement niet de beperking wordt overgenomen vanuit de aanvaarde model handreiking? Daartoe zijn samenwerkingsgemeenten bevoegd en gerechtigd en geen classis die daarop kan ingrijpen. Het zou namelijk met dit principe in strijd zijn wanneer een classis bestaande uit verschillende kerken een kerkenraadsbesluit zou kunnen goed- of afkeuren. Het is natuurlijk wel mogelijk dat er appel wordt ingesteld tegen een kerkenraadsbesluit en dat de classis dat appel gegrond verklaard. Voor dat geval geldt ook dat niet de classis een kerkenraadsbesluit vernietigt; het is na gegrondverklaring van een appel en aan de kerkenraad om zijn besluit te herzien. Als de classis een appel  te beoordelen krijgt en er geklaagd zou worden dat het besluit in strijd is met de kerkorde, zal de classis het besluit moeten beoordelen. De vraag is echter dan wel op grond van welke criteria zij dat gaat beoordelen. In de tussentijd gaat er kostbare tijd en energie verloren die niet aan de verkondiging van het Evangelie en de bearbeiding van de gemeente kan worden besteed.

Intrekken of afwijzen 
Het toont eens temeer aan dat de synodebesluit over vrouw en ambt onnodige en onverstandige besluit is dat geen enkele rekening heeft gehouden met de eigen dynamiek van samenwerkende en samenwerkingsgemeenten. De Nederlandse Geloofsbelijdenis bewijst haar gelijk om geen regels aanvaarden die dwang uitoefenen op het geweten en alleen regels te aanvaarden die de saamhorigheid, eenheid en de gehoorzaamheid aan God versterken of in stand houden. Doordat de synode hieraan geen aandacht heeft besteed, creëert zij chaos en wanorde, die door de voorstellen van commissie 4 alleen maar worden versterkt en vergroot. Dat kan niet de bedoeling zijn; het schaadt de eenheid en daarmee de geloofwaardigheid van het Evangelie, zoals uit het hogepriesterlijk gebed blijkt. Alle reden dus voor commissie 4 om hun voorstellen in te trekken en voor de afgevaardigden van de synode om de voorstellen af te wijzen als zij worden gehandhaafd, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.

 

Hoe verhoud zich dit besluit tot art. 85. En met art.86. Is de acceptatie van andere visies op sommige vraagstukken groter voor besluiten van kerken buiten onze landsgrenzen?

U stelt een terecht punt aan de orde. Voor dat punt heb ik in een eerdere blog ook al aandacht voor gevraagd, namelijk in Overpeinzing XIII (https://tinyurl.com/2p99rxs9). Dat maakt de besluitvorming op zichzelf al redelijk bijzonder.

Reactie toevoegen

commentaar