Maar liefst vier predikanten en een oud synode-afgevaardigde bepleiten dat de samenwerkingsgemeente, Het Anker in Lelystad, de Christelijke Gereformeerde Kerken beter zou kunnen verlaten, omdat zij zich niet houdt aan kerkelijke besluiten. Volgens de broeders is er namelijk maar één optie: „Je bewandelt de kerkelijke weg door desgewenst een revisieverzoek in te dienen bij de volgende generale synode, maar in de tussentijd houd je je aan de genomen (meerderheids)besluiten.” Het lijkt een logische optie, maar zij is kerkrechtelijk onjuist. En dat is jammer, omdat, bij een juiste uitleg en toepassing van het kerkrecht, de suggestie aan Het Anker om het CGK-kerkverband te verlaten niet geopperd zou zijn. Het opinieartikel zet de lezers daarmee op het verkeerde been.

Verkeerde suggestie
De kern van het probleem is de suggestie die de broeders wekken. De suggestie is dat  het zich houden aan meerderheidsbesluiten een wet van Meden en Perzen zou zijn. Het valt namelijk op dat de broeders het hebben over het ‘desgewenst’ indienen van een revisieverzoek; in de opiniebijdrage wordt de juistheid van het synodebesluit door hen ook sterk benadrukt met verwijzing naar de uitgebreide rapporten die aan de besluitvorming ten grondslag liggen. Daaruit volgt dat de synode bij meerderheid een weloverwogen besluit heeft genomen waarvan de broeders zich niet kunnen voorstellen dat zo’n besluit in strijd met Schrift, belijdenis of kerkorde zou kunnen zijn. Vanuit die overtuiging is het indienen van een revisieverzoek misschien in feite een heilloze missie. Heilloos omdat het meerderheidsbesluit zo duidelijk is dat er geen gegronde bezwaren te bedenken zijn, die het meerderheidsbesluit zou kunnen aantasten.

Verschillende opvattingen
Daarmee zien de broeders eraan voorbij dat ook uit de Bijbel zelf blijkt dat er verschillen zijn in geloofsovertuigingen die tot verschillende opvattingen kunnen leiden. Ondanks die verschillen zijn de gelovigen met elkaar verbonden in de Heer. Die verbondenheid verwoordt Paulus met de woorden: ‘Zolang wij leven, leven we voor de Heer; wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, wij zijn van de Heer.’ Bij alle verschillen die Paulus vaststelt in geloof, blijkt dit het gemeenschappelijke: gelovigen zijn van de Heer. En Paulus maakt niet alleen  duidelijk dat er verschillen in geloof zijn, maar ook dat die er mogen zijn; verschillen in opvattingen moeten niet worden bestreden, verschillen in geloof mogen niet worden veroordeeld, maar moeten worden aanvaard; welke overtuiging door het geloof er ook is, zij is een aangelegenheid tussen de gelovige en God. En iedere gelovige zal dus over zichzelf verantwoording tegenover God moeten afleggen. En daarmee vallen overtuiging en geweten met elkaar samen. De Bijbel houdt voor mogelijk dat gelovigen, die elk de Heilige Geest hebben, toch tot verschillende overtuigingen kunnen komen. Paulus waarschuwt ook voor het gewetensconflict wanneer hij erop wijst dat diegene gelukkig zijn die zich geen verwijten hoeven maken over wat ze besluiten te doen, maar dat degenen die met zichzelf in conflict komen op dat moment al veroordeeld zijn. Wat is met zichzelf in conflict komen anders dan een gewetensconflict? Paulus laat verschillen in overtuiging naast elkaar bestaan. Het zijn overigens geen gescheiden werelden, maar één werkelijkheid in Christus. Dat impliceert dat de verschillen niet moeten worden bestreden; en er mag niet worden neergezien op andermans overtuiging. Ook mogen de verschillen bij de ander niet tot geloofsafval leiden. Daarentegen moet zo met verschillen worden omgegaan dat de vrede wordt bevorderd en de verschillen opbouwend zijn voor elkaar. Het Koninkrijk van God is immers een zaak van gerechtigheid, vrede en vreugde door de Heilige Geest.

Gezamenlijke overtuiging
Als een individu een bepaalde overtuiging kan hebben, kan ook een groep een gezamenlijke overtuiging hebben. Dan kunnen er ook meerdere groepen zijn die verschillende overtuigingen hebben. En die verschillende groepen kunnen ook binnen hetzelfde kerkverband voorkomen. De groepsgroottes kunnen verschillen. Voor elk van die groepen geldt dat hun overtuigingen ook voortkomen uit de gewetens van de individuen, die samen die groep vormen. En zoals voor de individuen geldt dat zij ieder voor zich over zichzelf verantwoording tegenover God moeten afleggen over hun overtuigingen en daaruit voortvloeiende handelingen, geldt dat ook voor de groep waaruit die individuen zijn samengesteld. Ook de groep moet zich als groep door haar eigen overtuiging laten leiden en als groep zich daarvoor verantwoorden tegenover God.

Hetzelfde en verschillend
Dit betekent ook dat de meerderheid ervan overtuigd kan zijn dat er een aanvaardbaarheid besluit is genomen; dat wil zeggen: een besluit dat overeenstemt met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Echter, ook de minderheid daarentegen kan ervan overtuigd zijn dat ditzelfde besluit onaanvaardbaar is; dat wil zeggen: een besluit dat in strijd is met de Schrift, de belijdenis of de kerkorde. Hetzelfde besluit wordt verschillend beoordeeld op grond van verschillende overtuiging en toch verbonden in dezelfde Heer. Bovendien is ook die minderheid ervan overtuigd dat haar overtuiging aanvaardbaar is. Zowel de meerderheid als de minderheid mogen niet met zichzelf in conflict komen; een gewetensconflict op grond van overtuiging is niet geoorloofd. Artikel 31 K.O. is een besluitvormingsprocedure die juist recht wil doen aan verschillen in overtuiging, aan verdraagzaamheid, aan het bevorderen van de vrede en voor wat opbouwend is voor elkaar; en de besluitvormingsproces wil een gewetensconflict voorkomen.

De belijdenis
Dit sluit aan op de Nederlandse Geloofsbelijdenis die hierin de Schrift naspreekt. In artikel 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis belijdt de kerk immers, onomwonden, dat de Bijbel boven alles gaat en dus ook boven zaken die op een kerkelijke vergadering zijn besloten, het kerkrecht of andere besluiten. Als de belijdenis spreekt over besluiten die op een kerkelijke vergadering zijn genomen, gaat het per definitie over meerderheidsbesluiten. Als meerderheidsbesluiten tegen het geweten van de minderheid ingaan, dan kan die minderheid niet langer haar eigen overtuiging volgen, terwijl de Schrift juist daartoe oproept. Artikel 32 NGB bevestigt in feite de gronden van verwerping van onaanvaardbare besluiten door uit te spreken dat weliswaar regels die in de kerk worden vastgesteld nuttig en goed kunnen zijn, maar dat alle menselijke ingevingen om God te dienen, die dwang uitoefenen op het geweten, moeten worden verworpen. Ook hier is evident dat de verwerping van de dwang geschiedt door een minderheid, omdat het onwaarschijnlijk is dat de meerderheid onder gewetensdwang een besluit heeft genomen of een uitspraak heeft gedaan. En het is dan ook onwaarschijnlijk dat zij, om die reden, haar eigen besluit daarom naderhand verwerpt. De enigen die redelijkerwijs dwang over hun geweten kunnen ervaren, is de minderheid bij een onaanvaardbaar besluit.

Verwerpen
Zowel artikel 7 NGB als artikel 32 NGB spreken over ‘verwerpen’; dat is het afwijzen van besluiten. Dat is dus het niet aanvaarden van besluiten, die de meerderheid wel heeft aanvaard. De belijdenis van de kerk stelt buiten twijfel de plicht van een bezwaarde om een onaanvaardbaar besluit te verwerpen. Wanneer een meerderheidsbesluit geen ruimte laat voor verschillen in geloofsopvattingen, strijdt dat besluit met de Schrift. De Schrift maakt immers duidelijk dat verschillen in geloofsopvatting van elkaar moeten worden aanvaard. Een besluit dat andermans geloofsopvatting uitsluit is dus in strijd met de Schrift. Het is niet alleen in strijd met de Schrift, maar ook in strijd met het belijden van de kerk. De kerk verwerpt immers iedere gewetensdwang. De optie om hangende revisie zich aan een onaanvaardbaar besluit te houden, staat dan ook haaks op en is in strijd met de Schrift en met de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daarmee is het dus onmogelijk voor een minderheid van kerken binnen het kerkverband om een onaanvaardbaar besluit tijdelijk te aanvaarden. Dan zou die minderheid gedwongen zijn om, in ieder geval tijdelijk, voor de duur van het revisieverzoek, besluiten na te komen die zij onaanvaardbaar vindt. Dat verwerpt de belijdenis van de kerk dus uitdrukkelijk. Dat zou ook bij uitstek liefdeloos en onverdraagzaam zijn om plaatselijke kerken, die een besluit onaanvaardbaar vinden, te verplichten dat besluit na te komen. Bovendien is dat niet anders dan hiërarchie; de meerderheid die haar wil oplegt aan de minderheid. De gereformeerde kerken zijn juist mede ontstaan uit verzet tegen papale hiërarchie. Het is dan ook niet voor niets dat de besluiten waarvan revisie wordt ingesteld worden geschorst. Dat wil zeggen: niet ten uitvoer worden gelegd voor de duur van het revisieverzoek.

Zelf overtuigd
De minderheid moet daarom voor zichzelf overtuigd zijn dat er sprake is van gewetensdwang. Zij zal het bewijs moeten leveren dat een kerkelijk besluit onaanvaardbaar tegen haar overtuiging indruist. Daarvan verlangt artikel 31 K.O. bewijs. Dat bewijs ligt niet ter beoordeling aan een kerkelijke vergadering, zoals een synode, maar het bewijs is ter verantwoording aan God zelf. Dat betekent dus dat een minderheid voor zichzelf overtuigd moet zijn dat een bepaald besluit onaanvaardbaar is, omdat zij het in geweten niet kan verantwoorden. Daarvan dient zij voor zichzelf bewijs te  overleggen. En natuurlijk brengt kerkelijk samenleven met zich mee dat een minderheid haar bewijzen tegen het besluit niet alleen voor zichzelf houdt, maar die voorlegt aan de meerderheid. De minderheid is verplicht om hun bewijs van het onjuiste besluit voor te leggen aan die meerderheid. Als die zich niet laat overtuigen, betekent dat niet dat de minderheid geen bewijs heeft geleverd noch dat zij haar bezwaren dus zouden moeten opgeven, maar dat zij voor de keuze worden gesteld; of alsnog het meerderheidsbesluit aanvaarden of het verwerpen; als een besluit evenwel in geweten niet is te dragen, mag het niet en moet het niet worden aanvaard.

Een voorbeeld
Het vorenstaande brengt met zich mee dat rechtsgeldige besluiten meerderheidsbesluiten zijn, maar meerderheidsbesluiten daarmee niet per definitie rechtsgeldig zijn. Het beroep van de broeders op het feit dat, een bij meerderheid van stemmen genomen besluit, sprake is van een rechtsgeldig besluit, is daarmee niet valide. Het doet tekort aan de aard en bedoeling van artikel 31 K.O. Dit is te illustreren met het navolgende voorbeeld. In een hypothetische situatie zou de generale synode bij eenparigheid van stemmen kunnen besluiten alle ambten open te stellen. Het zal duidelijk zijn dat het een meerderheidsbesluit is, maar voor de broeders van het opiniestuk beslist geen aanvaardbaar besluit. Verwacht mag worden dat zij zo’n besluit onaanvaardbaar vinden. Op de broeders rust de bewijslast om aan te tonen dat, hoewel een meerderheidsbesluit, dat besluit onaanvaardbaar is. De broeders  beroepen zich immers op de uitzondering op de regel dat een meerderheidsbesluit onaanvaardbaar is; zij beroepen zich daarmee op de tenzij-bepaling. Stel dat plaatselijke kerken van voornoemd besluit revisie vragen en dat verzoek wordt met de kleinst mogelijke meerderheid afgewezen. Bij de broeders in het opiniestuk in het ND betekent dit dat er, hoe dan ook, sprake zou zijn van een aanvaardbaar besluit. Immers, het verzoek is bij meerderheid van stemmen afgewezen, terwijl het primaire besluit eenparig is genomen. De synode heeft in hun ogen recht gesproken en daarbij zullen de kerken zich moeten neerleggen, want zo zijn immers de regels en zij hebben daarvoor ook hun ja-woord gegeven. In deze redenering geldt bovendien dat, nu de synode heeft gesproken, de opvatting van de minderheid is afgewezen en daarmee niet aanvaardbaar is.

Een gewetensbeslissing
Het zal duidelijk zijn dat de broeders deze uitkomst onaanvaardbaar zouden vinden. Het is onwaarschijnlijk dat zij hun eigen overtuiging zullen opgeven en al helemaal dat zij hun opvatting als onjuist zullen beschouwen, omdat de generale synode dat bij meerderheid heeft uitgesproken. Met een beroep op de tenzij-bepaling geeft degene die een besluit niet kan aanvaarden argumenten voor zichzelf om zich te verantwoorden tegenover haar Heer waarom zij het besluit moet verwerpen. Ten diepste is dat dus een gewetensbeslissing, die niet geforceerd kan worden door welke kerkelijke vergadering dan ook; ook de generale synode kan daarover geen beslissende uitspraak doen.

Niet kerkscheidend
Het opiniestuk suggereert dat als een meerderheidsbesluit niet aanvaardbaar is voor een minderheid de wegen maar zouden moeten scheiden. Echter, dat is een onjuiste conclusie. Om te beginnen blijkt dat het meerderheidsbesluit voor de minderheid rechtskracht ontbeert, omdat het tot gewetensnood leidt, zodat op grond van de tenzij-bepaling ex artikel 31 K.O., de meerderheid zich niet op het besluit tegenover de minderheid kan beroepen. Deze situatie brengt met zich mee dat meerder- en minderheid, over en weer, zich moeten  richten op het belang van de ander; de minderheid aanvaardt, in het belang van de meerderheid haar geloofsopvatting, dat de meerderheid de ambten niet openstelt, terwijl de meerderheid aanvaardt dat de minderheid de ambten openstelt. Verschillen in geloofsopvatting zijn geen grond om het kerkverband te verbreken, omdat de eenheid van het kerkverband namelijk haar fundament vindt, in het harde feit,  dat de kerken van de Heer zijn. Daarmee zijn het karakter, de aard van het kerkverband en zijn opdracht bepalend. Het kerkverband is namelijk geen doelloze samenwerking; zij is het antwoord op de roeping van kerken om te streven naar eenheid omdat, zo bad Jezus zelf, de wereld daardoor kan geloven dat Jezus door de Vader naar de wereld is gezonden. En deze Heer heeft opdracht gegeven om alle volken tot zijn discipelen te maken en hen te leren alles wat Hij de apostelen geboden had. Zolang fundament en opdracht nog gelden, mag de eenheid niet verbroken worden. Dat schaadt de voortgang van het Evangelie en de naam van onze Heer. Bij gebrek aan overeenstemming over bepaalde besluiten zullen de kerken met verschillen moeten leren omgaan en elkaar daarin moeten verdragen. Dat is ongetwijfeld moeilijk en soms misschien pijnlijk, maar dat lijden is in niets te vergelijken met het lijden van onze Heer. En daarom is de suggestie in het opiniestuk onjuist dat een kerk, die op grond van de tenzij-bepaling ex artikel 31 K.O. een synodebesluit verwerpt, de CGK beter kan verlaten. Nu de Geest met Pinksteren is uitgestort, ontvangen kerken de kracht en de liefde om te verdragen wat naar de mens genomen niet te verdragen lijkt. En toch kan het, omdat het gaat om het lichaam van Christus zelf, Zijn kerk. Hij regeert door zijn Woord en Geest. Dat schept ruimte en voorkomt dat verschillen tot wanorde leiden, want onze God is niet een God van wanorde, maar van vrede.

 

Reactie toevoegen

commentaar