Het synodebesluit van de generale synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken waarbij de ambten voor vrouwen gesloten blijven, wordt in de praktijk door plaatselijke kerken genegeerd. Een aantal plaatselijke kerken handhaven hun openstelling en aantal andere plaatselijke kerken hebben na het synodebesluit alsnog de ambten opengesteld voor vrouwen en daaraan metterdaad uitvoering gegeven. Dat is op zichzelf een ongelukkige situatie en het helpt ook niet in het onderlinge vertrouwen tussen de kerken, maar dat geldt in feite ook voor het synodebesluit zelf. Voorstanders van dat besluit wijzen er steevast op dat het synodebesluit door de meerderheid rechtsgeldig is genomen en dat het negeren van dat besluit kerkelijke ongehoorzaamheid is. Bovendien is het bezwaar dat als synodebesluiten genegeerd kunnen worden de generale synode voor die kerken kennelijk van geen betekenis is. Hoewel het begrijpelijke bezwaren zijn, berusten zij toch op een hardnekkig misverstand. Dat misverstand staat mogelijk er ook aan in de weg om de verschillen in opvatting, hoe moeilijk ook, toch te overbruggen.

Veel genuanceerder
In feite gaat de kritiek over de uitleg en toepassing van artikel 31 K.O. Dit artikel is namelijk een veel genuanceerder artikel dan de kerkelijke praktijk laat zien. In eerdere Vrije-Interpretaties is ook al aandacht voor dit artikel gevraagd, maar gelet op de misverstanden, is het nuttig om nogmaals artikel 31 K.O. onder de aandacht te brengen. In deze technische bespreking van artikel 31 K.O. kan onbedoeld en onbewust de gedachte postvatten dat artikel 31 K.O. met een louter juridisch oog wordt ontleed, maar dat is beslist niet de bedoeling. Zonder afzonderlijk in te gaan op de kerkrechtelijke beginselen die ten grondslag liggen aan dit artikel, is het de bedoeling de werking uit te leggen in de vooronderstelling dat ook artikel 31 K.O. nadrukkelijk een geestelijk karakter heeft. Dat in het bestek van deze bijdrage daaraan weinig aandacht wordt besteed, betekent dus niet dat daarvan geen rekenschap moet worden gegeven. Omwille van een beter begrip, is het nuttig om het geestelijk vooral verondersteld te laten. Om die vooronderstelling iets meer karakter te geven geldt dat, zoals in een eerdere Vrije-Interpretatie is opgemerkt, vorm en inhoud van het kerkrecht ertoe doen, omdat zij uitdrukking geven aan de representatie van Christus. Tegen die achtergrond dient dan ook deze bijdrage gelezen te worden.

De structuur
Er is al veel gezegd en geschreven over artikel 31 K.O.. De structuur van artikel 31 K.O. bestaat uit een hoofdzin en een bijzin die noodzakelijke voorwaarden uitdrukken. De hoofdregel luidt dat meerderheidsbesluiten rechtsgeldige besluiten zijn. Daaraan voegt echter de bijzin noodzakelijke voorwaarden toe. De hoofdzin van artikel 31 K.O. bestaat niet zonder de bijzin. De bijzin verwoordt voorwaarden zonder welke de hoofdzin niet geldt. Concreet staat er: meerderheidsbesluiten hebben rechtsgevolg, tenzij die meerderheidsbesluiten in strijd zijn met Gods Woord, het belijden van de kerk, de kerkorde of in redelijkheid niet genomen hadden kunnen worden. Daarmee wordt dus het rechtsgevolg van het besluit afhankelijk gemaakt van de voorwaarden uit de bijzin. Als het besluit dus niet voldoet aan de voorwaarden uit de bijzin, is het dus ook geen besluit met rechtsgevolg. Of en dat het besluit niet rechtsgeldig is, is op zich al een ingewikkeld punt, waarop later in deze bijdrage terug wordt gekomen. Voor nu is vooral de structuur van artikel 31 K.O. van belang. Immers, die structuur maakt onmiddellijk duidelijk dat het niet vanzelfsprekend is dat een meerderheidsbesluit rechtsgevolg heeft. Of het besluit rechtsgevolg heeft, is namelijk afhankelijk van de vraag of ook aan de voorwaarden van de bijzin is voldaan.

Ontbindende voorwaarde
Om dit te verduidelijken een voorbeeld; Jan komt bij Piet aan de deur en vraagt aan Piet of Piet morgen met hem zou willen wandelen. Daarop zegt Piet: ik wil morgen met jou wandelen, tenzij het morgen regent. Jan gaat daarmee akkoord. De volgende dag belt Jan met zijn paraplu opengeklapt opnieuw aan bij Piet met de vraag of Piet nu met hem gaat wandelen. Piet kijkt naar buiten, voelt even met zijn hand en voelt nattigheid. Daarop zegt Piet, nee ik ga vandaag niet met je wandelen. Jan is hoogst verbaasd. Hij zegt tegen Piet: wij hadden gisteren toch duidelijk afgesproken dat jij met mij vandaag zou gaan wandelen. Afspraak is afspraak. Daarop antwoordt Piet: ja, het klopt dat we hebben afgesproken dat ik vandaag met jou zou gaan wandelen, maar ik zou alleen met je gaan wandelen als het niet zou regenen. Nu het regent ben ik bevrijd van de afspraak. Aan de afspraak dat ik morgen met jou ga wandelen komt daarom dus geen betekenis meer toe. Vermoedelijk vindt iedereen het voorbeeld wel logisch. Het was duidelijk afgesproken dat er alleen gewandeld wordt als het niet zou regenen. In feite betreft het een afspraak onder een ontbindende voorwaarde; als de voorwaarde wordt vervuld, het regent, ontbindt dat de afspraak om te wandelen.

Niet in strijd met
Hetzelfde principe doet opgeld in artikel 31 K.O.. Aan de hoofdregel zijn ontbindende voorwaarden verbonden. Die voorwaarden houden in dat besluiten moeten overeenstemmen met Gods Woord, niet in strijd mogen zijn met de belijdenis van de kerk of de kerkorde en evenmin apert onredelijk mogen zijn. Als een meerderheidsbesluit niet aan deze voorwaarden voldoet, kan er wel een meerderheidsbesluit zijn, maar komt aan dat besluit geen rechtsgevolg toe. Simpel gezegd: er kan geen recht aan worden ontleend. Om die reden is het veelgehoorde argument dat er sprake is van een rechtsgeldig meerderheidsbesluit en dat daarom plaatselijke kerken dat besluit moeten accepteren per definitie onjuist. Om direct maar een misverstand te voorkomen, dat betekent dus niet dat plaatselijke kerken besluiten van meerdere vergaderingen, zoals de synode, zouden moeten goedkeuren of, met een moeilijk woord, ratificeren. Meerderheidsbesluiten kunnen formeel volgens de regels rechtsgeldig zijn genomen, maar toch rechtsgevolg missen, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 31 K.O. zelf. Het enkele feit dat een besluit met meerderheid van stemmen is genomen, is op zichzelf onvoldoende om daarom rechtsgevolg te geven aan zo’n besluit. Om nog een misverstand te voorkomen, bij besluitvorming door kerkelijke vergaderingen wordt verondersteld, vermoed, dat meerderheidsbesluiten voldoen aan voorwaarden van Schriftgetrouw, overeenkomstig de belijdenis van de kerk, de kerkorde en niet apert onredelijk. Dat past ook in de geestelijke sfeer van het kerkrecht. Kerken werken samen met elkaar op basis van hetzelfde fundament en hebben daarom ook vertrouwen in elkaar en in hun kerkelijke organen.

Wie bepaalt?
Toch kunnen ook kerkelijke vergaderingen besluiten nemen die onjuist zijn. Als zij onjuist zijn dan ontbreekt aan dat besluit rechtsgevolg. Het ingewikkelde in deze kwestie is dat de kerkelijke vergadering die bij meerderheid het besluit nam ervan overtuigd is dat zij een rechtsgeldig besluit heeft genomen waaraan rechtsgevolg verbonden is. Die meerderheid vindt dan ook dat zo’n besluit nagekomen of uitgevoerd moet worden door de kerken. En dat klopt, want dat is de hoofdregel. Daartoe hebben kerken binnen het kerkverband zich ook verbonden. En in de praktijk blijkt ook dat verreweg het overgrote deel van de kerkelijke besluiten door plaatselijke kerken getrouw worden nagekomen. De moeilijkheid ontstaat als een plaatselijke kerk, geconfronteerd met een synodebesluit, de overtuiging heeft dat zij zich op de ontbindende voorwaarde van artikel 31 K.O.moet beroepen, omdat het besluit, naar het oordeel van die kerk, niet overeenstemt met Gods Woord, het belijden van de kerk, de kerkorde of apert onredelijk is. In dat geval zegt de meerderheid: het is een rechtsgeldig besluit met rechtsgevolg, en een minderheid: het is een meerderheidsbesluit waaraan geen rechtsgevolg kan worden verbonden; voor ons is zij nietig. Duidelijk is dat er zich een dilemma voordoet. Wie bepaalt nu of het besluit rechtsgevolg heeft of niet? Op voorhand zal het duidelijk zijn dat de meerderheid het besluit goed vindt, want anders had zij het besluit niet moeten nemen. In wezen lijkt dit op een buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst in het civiele recht. Als twee partijen een overeenkomst sluiten met een ontbindende voorwaarde en die voorwaarde wordt vervuld, kan de overeenkomst door een schriftelijke verklaring buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de rechter, worden ontbonden. Zoiets kan ook in het kader van artikel 31 K.O.. Vindt een kerk dat de voorwaarden van artikel 31 K.O. zijn vervuld dan wordt daardoor het rechtsgevolg ontnomen aan dat besluit door en voor die kerk. Met het inroepen van de ontbinding vervalt voor haar de verplichting dat besluit te accepteren.

Niet gedwongen
Echter, net zoals bij de buitengerechtelijke ontbinding in het civiele recht, staat daarmee niet vast dat het beroep ook terecht is gedaan. En hier loopt het kerkelijke - en civiele recht uiteen. Waar in het civiele recht de rechter kan worden gevraagd of het beroep op de ontbinding terecht was, kan dat niet in het kerkelijke recht. Weliswaar kan een kerk vragen om revisie van het besluit, maar dat is niet anders dan vragen aan de vergadering die het besluit genomen heeft, het besluit te heroverwegen en zo nodig in te trekken of te herzien. Voor kerkenraadsbesluiten, classisvergaderingen en particuliere synodes staan beroepsmogelijkheden open, maar als een plaatselijke kerk niet overtuigd raakt dat er sprake is van een goed besluit, kan die plaatselijke kerk niet gedwongen worden zich te houden aan het door haar betwiste besluit. Geen kerk zal immers over een andere kerk heersen. Dan ontstaat de situatie dat afgewogen moet worden of het verschil van inzicht tot uittreden uit het kerkverband moet leiden. Dat is een vraag die de afwijkende kerk zich moet stellen, maar die ook gesteld kan worden door de rest van het kerkverband.

Geen afspraak is afspraak
Het moge duidelijk zijn dat het enkele feit dat sprake is van een meerderheidsbesluit niet de stelling rechtvaardigt ‘afspraak is afspraak’; dus als een kerk zich er niet aan houdt, zij per definitie ongehoorzaam is. Kerken gehoorzamen God boven alles. Ook mag duidelijk zijn dat nooit lichtvaardig een beroep op de tenzij-bepaling mag worden gedaan. Het is niet een ontsnappingsroute om zich aan een besluit te onttrekken. Dat is ongepast en past niet in de aard van de samenwerking die kerken met elkaar zijn aangegaan. Bovendien moet een kerk die zich op de tenzij-bepaling beroept voor zichzelf daarvan ook het bewijs leveren. Een besluit dat niet bevalt, is geen criterium; het gaat erom of er op grond van feiten en omstandigheden voor kerk zelf kan worden aangetoond dat het besluit niet deugt. Daarnaast is de kerk ook verplicht deze bezwaren via de kerkelijke weg voor te leggen in de hoop dat aan de bezwaren tegemoet kan worden gekomen.

Ruimte voor nuance
Het is daarom niet gepast om harde oordelen te vellen over kerken die het recente besluit over de openstelling van de ambten betwisten en naast zich neerleggen. Als immers deze kerken ervan overtuigd zijn en dat voor zichzelf bewezen achten, is het zelfs hun plicht om de meerderheidsbesluiten te verwerpen en te doen wat goed is voor de gemeente waarvoor zij verantwoordelijk zijn. Het negeren van besluiten of het nemen van besluiten die contrair zijn aan een synodebesluit geeft er blijk van dat plaatselijke kerken niet kunnen leven met die besluiten. Dat plaatselijke kerken vervolgens afwijkende besluiten nemen, is niet primair een teken van independentisme en een gebrek aan loyaliteit aan het presbyteriaans-synodale stelsel, maar een teken dat zij desondanks binnen het verband van de kerken willen blijven. Anders zouden zijn ervoor kiezen om de correspondentie op te zeggen. En juist artikel 31 K.O. biedt ruimte. Geen vrijblijvende ruimte, maar de ruimte van de nuance. Artikel 31 K.O. is bij uitstek geestelijk van aard omdat het van alle kerken vraagt om liefde, geduld en verdraagzaamheid. Als een meerderheidsbesluit voor een plaatselijke kerk in strijd met de voorwaarden wordt beschouwd, is dat alle reden om diepgaand met elkaar in gesprek te gaan. Komen de kerken niet tot overeenstemming dan ligt de vraag voor of het verschil in het belang van het evangelie en de eenheid van de kerk kan worden verdragen. Artikel 31 K.O. is daarmee ook een oefening in liefde, geduld en verdraagzaamheid. En dat is passend in de kerk, omdat onze God geen God van wanorde is, maar van vrede.

 

Reactie toevoegen

commentaar