In het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid verschenen artikelen van De Hek en Zondag enerzijds en Pel anderzijds over de rechtspositie van de CGK. Dit artikel stelt dat Pels benadering van het gereformeerd kerkrecht inzake de roepende kerk Hoogeveen fundamenteel onjuist is. Ook de visie van de Rijnsburggroep wordt vanuit kerkrechtelijk oogpunt bekritiseerd, omdat zij zich ten onrechte onttrekt aan gemaakte afspraken.
In het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid verscheen recentelijk een tweetal artikelen van mrs. De Hek en Zondag enerzijds en anderzijds mr. Pel over de rechtspositie van de Christelijke Gereformeerde Kerken.[1] Het betreft in feite een voortzetting van een eerder gevoerde discussie naar aanleiding van de notitie van De Hek en Zondag en bevat deels dan ook een herhaling van argumenten.[2] Pel probeert met een keur aan argumenten aan te tonen dat de door De Hek en Zondag gekozen civielrechtelijke benadering om de juridische status van het kerkverband vast te stellen zowel op (intern-)kerkrechtelijke als (extern-) juridische gronden fundamenteel onjuist zou zijn. Naar de kern genomen komen Pels bezwaren erop neer dat er sprake zou zijn van kerkelijke schijnwettigheid, omdat, ondanks het feit dat deputaten vertegenwoordiging de CGK Hoogeveen heeft aangewezen als roepende kerk, ex artikel 50 K.O., die aanwijzing tegen hun wil en onder druk van het advies van voorzieningenrechter tot stand is gekomen om verdere juridisering te voorkomen. Echter, Pels argumenten ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake zou zijn van kerkrechtelijke schijnwettigheid van de roepende kerk Hoogeveen en de komende generale synode van Hoogeveen schieten ernstig tekort. Zijn benadering van gereformeerd kerkrecht en het statuut van de CGK, zijnde de Kerkorde, is namelijk onvolledig. Hij trekt daardoor verkeerde conclusies over de kerkelijke wettigheid van de CGK Hoogeveen als roepende kerk en de generale synode van Hoogeveen en het CGK kerkgenootschap in het algemeen. Pel zet daarmee niet alleen de Rijnsburggroep op een dwaalspoor, maar alle CGK-kerken binnen het kerkverband.
Gemeenschappelijk akkoord
Pel gaat in zijn benadering er structureel aan voorbij dat de plaatselijke kerken met elkaar een overeenkomst hebben gesloten. De rechten en plichten van de plaatselijke kerken, die behoren tot de CGK, zijn namelijk vastgelegd in een gemeenschappelijk akkoord, de kerkorde.[3] Het kerkverband berust aan de kant van de kerken op wederzijdse overeenkomst en van Gods kant op de verplichting om tot die overeenkomst te komen als dat mogelijk is.[4] De kern van het gemeenschappelijk akkoord is, om in de plaatselijke kerken alles in goede orde te laten verlopen. Het gaat daarbij uiteindelijk steeds om de goede orde in de gemeente van Christus; dat is de plaatselijke kerk. Dat blijkt ook nadrukkelijk uit artikel 1 K.O.: de diensten, kerkelijke vergaderingen, opzicht en tucht zijn ervoor bedoeld om de orde in de plaatselijke kerken, de gemeente van Christus, te dienen. Volgens Greijdanus is de aansluiting en samenwerking tussen kerken bedoeld om "gebreken aan te vullen, misstanden weg te nemen" en "met gaven en goederen te dienen wie daaraan behoefte heeft". Het verband helpt kerken om samen beter te doen wat hun gezamenlijke roeping is.[5] Plaatselijke kerken zijn dus met elkaar een wederkerige overeenkomst aangegaan, die rechten en plichten voor de kerken met zich meebrengt; een gemeenschappelijk akkoord, zoals artikel 87 K.O. het noemt. Onderdeel van de afspraken is het houden van vergaderingen van plaatselijke kerken. De kerken hebben in hun gemeenschappelijk akkoord, de kerkorde, zich ertoe verplicht om samen te komen in classisvergaderingen, vergaderingen van de particuliere synode en de generale synode. In de kerkorde is de verplichting vastgelegd dat de classicale vergaderingen bestaan uit de kerken van het classicaal ressort, die elk een dienaar des Woords en een ouderling, voorzien van deugdelijke geloofsbrieven, afvaardigen. De classis vergadert minstens tweemaal per jaar op plaats en tijd door de vergadering vast te stellen, ex artikel 41 K.O.. De vergaderingen van de particuliere synoden worden jaarlijks gehouden, tenzij de omstandigheden het vaker vereisen, zulks ter beoordeling van de roepende kerk, die daartoe het advies en de goedkeuring van haar classis zal vragen. Naar deze particuliere synode worden uit iedere classis drie dienaren des Woords, drie ouderlingen en één diaken afgevaardigd. Aan het einde van de vergadering zal een kerk worden aangewezen om de volgende synode samen te roepen, aldus artikel 47 K.O.. En artikel 50 K.O. bepaalt dat de generale synode in de regel eenmaal in de drie jaren zal vergaderen, tenzij er gewichtige redenen zijn om eerder bijeen te komen. Hieruit blijkt onomwonden dat de kerken zich verplicht hebben om regelmatig in meerdere vergaderingen bijeen te komen. Het zijn dus de plaatselijke kerken zelf die, in het kader van het regelen van de orde, gemeenschappelijk hebben vastgesteld en aanvaard - vide artikel 87 K.O. - dat zij bij elkaar komen in meerdere vergaderingen. Het is daarom misleidend te suggereren dat kerken telkens, voorafgaande aan een meerdere vergadering, opnieuw de keuze zouden hebben om te beslissen of zij daarheen zouden gaan. Nog misleidender is de onjuiste suggestie van Pel dat het de meerdere vergaderingen zelf zouden zijn die over de plaatselijke kerken zouden beslissen of zij bijeen moeten komen in een meerdere vergadering. Daarmee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat die vergaderingen bijeenkomsten opleggen aan plaatselijke kerken waardoor de indruk wordt gewekt dat, in strijd met het beginsel van gereformeerd kerkrecht, de vergaderingen niet van onderop, maar van bovenaf aan de kerken worden opgelegd. Echter, de kerken hebben zelf bij onderlinge afspraak in de kerkorde bepaald dat de meerdere vergadering verplicht is om een roepende kerk aan te wijzen die namens de kerken een nieuwe kerkelijke vergadering bijeenroept. De beslissing van plaatselijke kerken om deel te nemen aan de classis is daarom allang door de kerkenraden zelf genomen, namelijk met de vaststelling en aanvaarding van de kerkorde, het gemeenschappelijk akkoord. Die afspraak is dus niet facultatief of vrijblijvend, maar wordt ingevuld door de bepalingen in de kerkorde. Daarbij hebben de kerken ook afgesproken op welke wijze een formele meerdere vergadering rechtsgeldig bijeengeroepen wordt. Dat doen de kerken namelijk door uit hun midden een roepende kerk aan te wijzen. Een meerdere vergadering wordt niet willekeurig door welke kerk dan ook bijeengeroepen, maar kan alleen maar rechtsgeldig bijeengeroepen worden op de wijze zoals de kerkorde bepaalt. Vaststaat dat de Rijnsburggroep geen roepende kerk in haar gelederen heeft die door de generale synode daartoe is aangewezen, ex artikel 50 K.O.. Feit is verder dat het oud-moderamen/deputaten vertegenwoordiging namens de generale synode Rijnsburg-Nunspeet, gelegitimeerd door de burgerlijke rechter, de CGK Hoogeveen als roepende kerk van de CGK heeft aangewezen. De opmerking van Pel dat het gereformeerd kerkrecht vanuit de plaatselijke kerken werkt en niet hiërarchisch vanuit de synode is dan ook misleidend. Dat de kerken hebben vastgesteld en aanvaard dat de meerdere vergadering de opdracht en daarmee de bevoegdheid heeft een roepende kerk aan te wijzen, heeft niet met hiërarchie van de synode of welke meerdere vergadering dan ook te maken, maar uitsluitend met plaatselijke kerken die daarover bij gemeen akkoord een afspraak met elkaar hebben gemaakt. En daarmee is de bewering van Pel dat de kerken zelf de beslissingsbevoegdheid dragen over met wie zij samenkomen op meerdere vergaderingen c.q. met wie zij ‘het kerkverband in waarheid en eenheid onderhouden’ in strijd met de beginselen van gereformeerd kerkrecht en de kerkorde in het bijzonder. De verplichting om als plaatselijke kerken mee te doen aan kerkelijke vergaderingen ligt namelijk voor de kerken allang vast in de kerkorde. Aan die verplichting kunnen kerken zich eenzijdig onttrekken, maar dat verandert op zichzelf de afspraak niet, want zij blijft van kracht, evenals de uit de afspraak voortkomende verplichting om aan die vergaderingen mee te doen.
Wederkerige overeenkomst
Ook Pels bewering dat gebondenheid aan kerkelijke besluiten een inherente deelnemingsvoorwaarde zou zijn, geeft blijk van een tekortschietende weergave van gereformeerd kerkrecht. Pel stelt namelijk ten onrechte dat wie als CGK-kerk wil deelnemen aan het CGK-verband, zich daarmee uiteraard verplicht om zich te houden aan de daar gezamenlijk genomen besluiten. Doordat niet te doen komt - aldus Pel - de basis aan de deelname te ontvallen wat verdere deelname op zichzelf in feite onmogelijk maakt. Deze redenering is te ongenuanceerd en op die manier bestaat daarvoor eenvoudigweg geen enkele kerkrechtelijke grond, integendeel. De aard van de kerkorde is namelijk van andere orde dan wordt gesuggereerd. Er worden hiervoor door Pel ook geen kerkrechtelijke argumenten gegeven. Met die beweringen wekt Pel de indruk dat hij de aard van het gereformeerde kerkrecht en de daaruit voortvloeiende beginselen onvoldoende kent of onvoldoende begrijpt. Vooropgesteld zij dat de samenwerking van de kerken binnen het kerkverband is gebaseerd op een wederkerige overeenkomst, zijnde een civielrechtelijke overeenkomst. Daarvan geldt dat een dergelijke overeenkomst niet teniet gaat of eindigt ten gevolge van het niet nakomen van de verplichtingen uit de overeenkomst. Daarvoor zijn rechtshandelingen nodig, zoals het inroepen van ontbinding, vernietiging, de nietigheid of opzegging, tenzij uitdrukkelijk in de overeenkomst anders bepaald. Naar gereformeerd kerkrecht is dat in wezen niet anders, blijkens de artikelen 1, 31 en 87 K.O..
Goede orde
Artikel 1 K.O. laat onmiddellijk zien wat de aard van het gemeenschappelijk akkoord is. Het bepaalt namelijk dat alle in de kerkorde neergelegde afspraken ten doel hebben om in de plaatselijke kerken alles in goede orde te laten verlopen. Professor Rutgers merkt hierover op in zijn commentaar op artikel 1 K.O:
“De bindende kracht van de K.O. ligt niet daarin, dat ze van een overheid komt, maar dat ze dient om de orde te bewaren. Er volgt ook uit, dat overtreding der K.O. niet af te keuren is, als de orde maar niet verstoord wordt of beter bewaard kan. Een wet is altijd peremptoir. Niemand kan zich dispenseren van de wet. Maar geen regel zonder uitzondering. Het doel van de K.O. zelf brengt mee, dat men van die K.O. kan afwijken. Dit is niet alleen stilzwijgend toegegeven, maar uitdrukkelijk is uitgesproken dat afwijken geoorloofd is. Men onderscheidt in iedere K.O. tusschen het noodzakelijke en niet-noodzakelijke. Noodzakelijk is alleen, wat in Gods Woord staat en noodzakelijk daaruit voortvloeit, b.v. de vierderlei diensten (ambten, JRB). Dit zijn wetten. Het andere terwille van de orde, kan soms overtreden worden. Er is wel eens gezegd, dat dan alles op losse schroeven gezet is. Dit is echter onjuist. Uit willekeur mag nooit een afwijking plaats hebben. De afwijkingen zijn aan regelen gebonden. Ze liggen uit den aard der zaak in het woord orde opgesloten. Motief voor afwijking moet zijn: het beter bewaren der orde.”[6]
Het gaat daarbij uiteindelijk steeds om de goede orde in de gemeente van Christus, dat is de plaatselijke kerk. Dat blijkt ook nadrukkelijk uit artikel 1 K.O.: de diensten, kerkelijke vergaderingen, opzicht en tucht zijn ervoor bedoeld om de orde in de plaatselijke kerken, de gemeente van Christus, te dienen. Het verband helpt kerken om samen beter te doen wat hun gezamenlijke roeping is. Juist omdat de aard van de kerkorde bedoeld is om in de kerk alles in goede orde te laten verlopen, volgt daaruit ook, zo leert Rutgers, dat overtreding van de kerkorde niet af te keuren is, als de orde maar niet verstoord wordt of beter bewaard kan. Afwijken van de kerkorde is onder voorwaarden geoorloofd. In algemene zin geldt dat er alleen voor zichzelf kan worden afgeweken, de afwijking moet geschieden om des te beter de orde in de kerk te bewaren, de afwijking mag niet aan anderen worden opgelegd en als er verschil ontstaat over de afwijking dan moet men zich onderwerpen aan de kerkelijke vergaderingen die daarover uitspraken doen. Van belang is dat de kerkorde in artikel 31 K.O. in feite dit uitgangspunt ook hanteert voor besluiten, doordat het weliswaar meerderheidsbesluiten voor vast en bondig houdt, maar die rechtsgeldigheid wordt nadrukkelijk begrensd wanneer er sprake is van strijd met Schrift, belijdenis, kerkorde en binnen de CGK zelfs doordat een besluit in redelijkheid niet genomen had mogen worden door een kerkelijke vergadering. Plaatselijke kerken zijn dus met elkaar een wederkerige overeenkomst aangegaan, die rechten en plichten voor de kerken met zich meebrengt. Zij zijn aan die afspraken gebonden en binden zich daarom ook aan kerkelijke besluiten, maar nooit in absolute zin. Bij de bespreking van artikel 87 K.O. komt Rutgers vervolgens weer terug op artikel 1 K.O..:
“De woorden: „deze Artikelen”, zien natuurlijk op de 85 voorgaande artikelen[7], van welke artikelen hier gezegd wordt, dat zij „de wettelijcke Ordeninge der Kercken” aangaan, geheel conform het opschrift van geheel, hetwelk luidt: „Kercken-ordeninghe”, en geheel conform art. 1, waarin staat: „Om goede ordre in der Ghemeente Christi te onderhouden”. Hier wordt dus in dit artikel nog eens herinnerd, wat vroeger reeds daaromtrent uitgesproken werd, dat alle deze artikelen de wettelijke ordening der kerken aangaan, dat het doel der kerkenordening alleen is om de kerken in goede orde te houden. Het is niet zonder reden, dat dit in de kerkenordening zoo herhaaldelijk geschiedt, want het is inderdaad van belang dit in het oog te houden. Het is een gewichtig beginsel (vgl. art. 1), omdat daaruit volgt, wat er in de kerkenordening thuis hoort en wat er niet in thuishoort, hoeveel men bepalen moet en hoeveel aan de kerken overlaten; ook omdat er nog uit voortvloeit, gelijk wij later zien zullen, dat de kerkenordening niet te beschouwen is als eene wet, gelijk op burgerlijk gebied de staatswet, maar als eene ordening, zoodat de hoofdzaak is, niet om nu letterlijk en precies elke bepaling stipt op te volgen, ook al zou daardoor de orde verstoord worden, want dan zou men in strijd handelen met de bedoeling van de kerkenordening zelve.”[8]
De Kerkorde -kerkenordening(!)- is het instrument - het akkoord - dat de orde van de plaatselijke kerken beschermt en reguleert. En juist om die lokale orde te dienen, is het essentieel dat de gezamenlijke afspraken over diensten en meerdere vergaderingen trouw worden nageleefd. En ook hiervoor geldt dat het nooit in absolute zin geldt. Ook dat blijkt uitdrukkelijk uit de woordkeuze van artikel 87 K.O.. Artikel 87 K.O. bepaalt namelijk dat ‘de kerken de artikelen trouw moeten naleven.’[9]
Gehoorzaamheid en bloei
In zijn toelichting op artikel 87 van de Kerkorde bevestigt Rutgers dat het is toegestaan om af en toe van de regels af te wijken. Waar de kerkelijke gemeenschap de gedeelde geloofsbelijdenis als fundament uiterst streng moet handhaven, is er op het gebied van de kerkorde ruimte voor maatwerk. Kleine afwijkingen worden geaccepteerd zolang ze niemand schaden en juist de goede orde, vrede en rust binnen de plaatselijke kerk dienen. Binnen het gereformeerde stelsel draait het immers primair om de waarheid en de belijdenis; rigide regelzucht en formalisme passen daar van oudsher niet bij. Rutgers vindt steun voor zijn uitleg van artikel 87 K.O. bij Voetius die het recht van afwijking van kerken van de kerkorde ook erkent voor zover dat het beginsel van de handhaving van de goede orde dient, de kerkorde zelf daardoor niet wordt veranderd en om wanorde te voorkomen, dient de afwijking ook aan het oordeel van een kerkelijke vergadering te worden onderworpen.[10] Opvallend is dat Rutgers bij de uitleg van artikel 87 K.O. uitgebreid ingaat op de gevolgen van het afwijken van de kerkorde. Hij onderkent dat met de nuance dat plaatselijke kerken soms kunnen afwijken van de gemaakte afspraken in de kerkorde, de gereformeerde kerkregering op deze manier ingewikkeld is, maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe dat het in de kerk van Christus niet draait om het gemak, maar om gehoorzaamheid aan Gods Woord en de bloei van de gemeente. Daarover zegt hij dat, zodra gemak de boventoon voert, de geestelijke vitaliteit uit de kerk verdwijnt. Juist de complexiteit van het gereformeerde stelsel vormt, volgens Rutgers, de grootste kracht, omdat het dwingt om de Bijbelse en kerkrechtelijke fundamenten echt te bestuderen. Wie die principes eenmaal doorgrondt, kan de kerkorde daarna moeiteloos in de praktijk brengen.[11]
Focus op de plaatselijke kerk
Daarmee ligt dus de focus van gereformeerd kerkrecht op het functioneren van de plaatselijke kerk. Artikel 1 K.O. maakt vervolgens ook duidelijk dat ter ondersteuning daarvan onder andere vergaderingen nodig zijn. Dat wil zeggen, de kerken hebben onderling afgesproken dat zij met het oog op de goede orde van de plaatselijke kerken bij elkaar komen in vergaderingen. En in dat kader moet dan ook het door Pel aangehaalde citaat van Bouwman gelezen en begrepen worden. Daarbij geldt op grond van de Bijbel, weergegeven in het beginsel van gereformeerd kerkrecht dat, ex artikel 85 K.O., meerdere kerkelijke vergaderingen geen enkele bevoegdheid of zeggenschap en macht van regeling, ingrijpen, censuur, schorsing, afzetting, in of over enige kerk hebben dan voor zover die kerk aan die meerdere vergadering van tevoren de bevoegdheid aan die vergadering heeft verleend.[12] De zeggenschap van meerdere vergaderingen berust dan ook uitsluitend bij de plaatselijke kerken op basis van daarover tussen de kerken gemaakte afspraken, die in de kerkorde zijn vastgesteld en aanvaard. Het beginsel van gereformeerd kerkrecht, ex artikel 85 K.O. betekent dus niet, zoals Pel beweert, dat plaatselijke kerken de vrijheid hebben om te beslissen of zij zullen deelnemen aan kerkelijke vergaderingen. Simpelweg omdat zij zich bij afspraak gebonden hebben om deel te nemen aan die vergaderingen. Met die afspraak hebben de kerken niet ingeboet op hun zelfstandigheid, maar hebben zij op basis van die zelfstandigheid de bevoegdheid aan meerdere vergaderingen verleend met behoud van eigen zelfstandigheid.
Geen bewijs
De zelfstandigheid van de plaatselijke kerken binnen het kerverband gaat echter niet zover dat zijzelf vrijelijk kunnen bepalen met wie zij samenkomen. Daarom is de oproep van deputaten vertegenwoordiging om naar de generale synode van Hoogeveen te komen geen bewijs voor de legitimatie van de oproep van de Rijnsburggroep om als kerken met ‘Rijnsburg’ CGK te blijven, zoals Pel kennelijk meent. De oproep van deputaten vertegenwoordiging is namelijk een oproep die is gebaseerd op artikel 50 K.O.. en de bevoegdheid van deputaten vertegenwoordiging om een dergelijke oproep te doen. De oproep behelst in feite dat plaatselijke kerken, met het oog op de goede orde in de plaatselijke kerk, hun afspraak moeten nakomen door zich te laten afvaardigen naar de generale synode van de CGK, die rechtens in Hoogeveen wordt gehouden. De oproep van de Rijnsburggroep is een oproep van kerken zonder enige kerkrechtelijke basis, een oproep die iedere individuele kerk en zelfs ieder individueel kerklid bij wijze van spreken zou kunnen doen. Zo’n oproep ontbeert echter ieder gezag of legitimiteit, eenvoudigweg omdat het geen oproep is op grond van daartoe gezamenlijk gemaakte afspraken. Die oproep is wel misleidend omdat, voor zover zij is bedoeld als alternatief voor de generale synode van Hoogeveen, plaatselijke kerken op het verkeerde spoor worden gezet. Door te suggereren dat het gereformeerd kerkrecht de ruimte biedt om als plaatselijke kerken zelf te bepalen naar welke vergaderingen men belieft te gaan, wordt bewust achterwege gelaten dat kerken daarover in de kerkorde concrete en duidelijke afspraken hebben gemaakt. Het is eenvoudigweg niet waar dat, omdat het gereformeerd kerkrecht vanuit de plaatselijke kerken werkt, het daarom geoorloofd is van geval tot geval te beslissen als kerkenraad of er wordt deelgenomen aan een in de kerkorde voorgeschreven vergadering. En evenmin is waar dat het kerkverband in staat van ontbinding is, omdat er kerken zijn die bepaalde besluiten niet voor vast en bondig houden op grond van strijd met Schrift, belijdenis en kerkorde. Het probleem ontstaat als gereformeerd kerkrecht legalistisch wordt uitgelegd en toegepast en daarbij steeds uit het oog verloren raakt dat kerkelijke vergaderingen en hun besluiten bedoeld zijn om de goede orde in de plaatselijke kerken te handhaven en te bevorderen en niet, zoals de Rijnsburggroep pretendeert, kerken te dwingen zich aan kerkelijke besluiten en/of kerkordelijke bepalingen te houden. Dat betekent geenszins dat plaatselijke kerken naar willekeur mogen handelen, maar wel dat kerken die in meerdere vergaderingen bijeenkomen zich telkens ervan bewust moeten zijn dat het niet gaat om de besluiten van meerdere vergaderingen op zichzelf, maar om het feit dat er uitsluitend besluiten worden genomen die de saamhorigheid, eenheid en de gehoorzaamheid aan God van de plaatselijke gemeente versterken of in stand houden.[13] Het betekent ook dat kerkelijke besluiten nooit zo’n gezag mogen krijgen binnen het kerkverband dat zij gelijk staan aan de Bijbel.[14]
Moderne Paus
Het kerkelijk samenleven wordt daarom niet zozeer belemmerd doordat een aantal kerken - waaronder een groot aantal samenwerkingsgemeenten - de besluiten omtrent ViA niet voor vast en bondig kunnen houden, ex artikel 7 en 32 NGB nota bene, maar door de introductie door de Rijnsburggroep van ‘de moderne paus’. Dat wil zeggen dat het resultaat van meerderheidsstemming over principes uit de Schrift met in feite veronachtzaming van de heerschappij van Christus.[15] En daarmee en daardoor staan de meerdere vergaderingen niet meer in het teken van artikel 1 K.O., maar in het teken van de macht van de meerderheidsbeslissingen. Dat is in essentie ook de reden dat een synode meerderheid dwaze besluiten nam op 28 maart 2025 en 3 juni 2025. Het betrof het moedwillig ondermijnen van de kerkelijke orde door als meerdere vergadering buiten haar bevoegdheid, en daarmee eigenmachtig, haar taak neer te leggen, omdat de bereidheid ontbrak om te verdragen dat plaatselijke kerken op grond van hun geweten gegrond op Gods Woord met het oog op de goede orde in de plaatselijke kerk, de ambten openstellen. Geen van deze kerken stelt de eis dat daarom de meerderheid ook de ambten moet openstellen. Pel geeft blijk van een moderne-paus-dwaling door nota bene te spreken over ‘het gedogen’ van afwijking van besluiten op grond van geweten, in plaats van het woord ‘verdragen’ te gebruiken, waartoe de Bijbel meermalen oproept. Op deze plaats wordt herinnerd aan de eerder aangehaalde woorden van Rutgers dat het niet gaat om gemak, maar om Gods Woord en de bloei van de gemeente.
Door de kerken toebedeeld
Pels conclusies zijn dan ook in het licht van de beginselen van gereformeerd kerkrecht niet concludent. Dat bewijst zich ook wanneer hij zijn toevlucht moet nemen tot een uitleg van artikel 50 K.O. die in strijd is met de beginselen van gereformeerd kerkrecht en met de tekst van deze bepaling zelf. Zoals Pel zelf erkent, hebben meerdere vergaderingen een afgeleide rechtspersoonlijkheid. Dat wil overigens meer zeggen dan de beperkte uitleg die Pel eraan geeft. Die afgeleide rechtspersoonlijkheid betekent niet slechts dat meerdere vergaderingen afhankelijk zijn van wat die plaatselijke kerken over dat lichaam besluiten. Pel introduceert hier een facultatieve en temporele kwalificatie van afhankelijkheid, terwijl die afhankelijkheid van verbintenisrechtelijke aard is. Immers, de taken, bevoegdheden, verantwoordelijkheden en ook haar rechtspersoonlijkheid zijn toebedeeld door de kerken bij gezamenlijke afspraak. Als het over de verhouding plaatselijke kerk en meerdere vergadering gaat laat Greijdanus er geen misverstand over bestaan:
“De kerk is als lichaam wel een geestelijke eenheid over het rond der aard en in elk land en in elke landstreek, maar daarom nog niet eene georganiseerde, ambtelijke geïnstitueerde, eenheid, waarvan de plaatselijke kerken afdeelingen zouden zijn. Ten opzichte van elkander zijn de plaatselijke geïnstitueerde kerken zelfstandig, onafhankelijk, zonder recht van heerschappij over elkander, wel alle staande onder Goddelijke verplichting om met elkander in geordend verband te treden en in behoorlijke samenwerking te leven, maar zonder recht om de eene de andere tot nakoming dier verplichting te dwingen, ook al zou dit laatste mogelijk zijn. Het verband der kerken rust aan den kant der kerken louter in wederzijdsche overeenkomst, vrijwillige aaneensluiting, consensus mutuus. Van Gods kant is er wel eene verplichting, wanneer dat verband mogelijk is. Maar ten opzichte van elkander zijn de plaatselijke kerken vrij, en heeft dit verband geen andere rechten dan de kerken vrijwillig bij het aangaan van dat verbond over en weer geven of op zich nemen. En zoodra dat verband, of kerken in dit verband, of meerdere vergaderingen van dat verband, verder gaan dan de bij dat verband gegeven of verkregen rechten, matigen zij zich aan wat niet het hare is, handelen zij revolutionnair tegen de kerken en tegen God, en is er bij haar in dezen niets dan menschelijke arrogantie en zelfverheffing.”
De essentie daarvan is dat meerdere vergaderingen niet meer bevoegdheden hebben dan hun door de kerken bij afspraak zijn toegekend. Het negeren van artikel 50 K.O. is namelijk niet "het mindere" van het wijzigen ervan, zoals Pel beweert. Zolang de generale synode artikel 50 K.O. niet via de officiële weg heeft gewijzigd of afgeschaft, ís de regel voor de generale synode bindend. Door de regel intact te laten, maar er vervolgens niet naar te handelen, handelde de synode eenvoudigweg in strijd met haar eigen opdracht, zoals dat door de gezamenlijke kerken in de kerkorde is afgesproken. Greijdanus stelde immers dat kerkelijke vergaderingen die verder gaan dan de verkregen rechten, zich aanmatigen wat niet van hen is. Zolang artikel 50 niet is gewijzigd, had de generale synode simpelweg de plicht om een roepende kerk aan te wijzen. Door dat na te laten, op basis van een zelfgekozen "uitzondering", eigent de synode zich volgens Greijdanus een bevoegdheid toe buiten de vastgestelde kerkorde. Door voor de onderbouwing van het onrechtmatig handelen zijn toevlucht te nemen tot een beroep op de crisistijd en de nood der tijden, is Pel ver van de beginselen van gereformeerd kerkrecht vervreemd geraakt. In strijd handelen met de kerkorde is naar haar aard niet het mindere van het overeenkomstig de kerkorde handelen en dus niet hetzelfde als het legitiem wijzigen van de kerkorde. Bovendien ziet Pel eraan voorbij dat artikel 87 K.O. geen ongeclausuleerde bevoegdheid tot wijziging van de kerkorde biedt, maar uitsluitend indien en voor zover het belang van de kerken dit vereist.
Artikel 30 K.O.
In het licht van artikel 30 K.O. is nu juist aan meerdere vergadering opgedragen zaken te behandelen die in mindere vergaderingen niet konden worden afgedaan, of wat behoort tot de kerken van de meerdere vergadering in het algemeen. Er kan weinig discussie over zijn dat de kwestie met betrekking tot het niet kunnen aanvaarden van synodebesluiten bij uitstek niet door de plaatselijke kerken zelf kan worden opgelost, maar behoort tot de taak van de kerken van de meerdere vergadering in het algemeen. Voor zover er al sprake zou zijn van een crisis en de nood der tijden betreffen dat omstandigheden waarin juist de meerdere vergadering, op grond van artikel 30 K.O., een taak heeft. Door te besluiten om te stoppen met vergaderen heeft de generale synode niet haar verantwoordelijkheid teruggegeven aan de kerken, maar bewust en onrechtmatig verzuimd. En dat verzuim is niet in het belang van de kerken, omdat het de orde in de plaatselijke kerken verstoort. In dat kader is het dan ook meer dan terecht dat De Hek en Zondag in hun artikel in een voetnoot er een punt van maken dat CGBeraad stellig beweert dat classes niet meer legitiem bijeen zouden kunnen komen, maar dat dit uitzondering zou lijden voor zaken als emeritering, overkomst en vertrek van predikanten en classisexamens voor kandidaten. Een kerkrechtelijke grondslag ontbreekt voor de stelling dat de classes niet legitiem kunnen vergaderen, want het is inderdaad van tweeën één: of de classis kan legitiem vergaderen of niet. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de generale synode. Het bestaat niet dat enerzijds de generale synode zegt niet meer te kunnen vergaderen, maar anderzijds de deputaten vertegenwoordiging een mandaat verleent, omdat datgene te doen namens de generale synode wat noodzakelijk is.
Miskenning cruciale asymmetrie
Het betoog van Pel miskent daarmee de cruciale asymmetrie in het gereformeerde kerkrecht, die inherent is aan artikel 1 K.O., artikel 31 K.O. en artikel 85 K.O. zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien. Het betreft hier het fundament van de ecclesiologische fundering van gereformeerd kerkrecht. Plaatselijke kerken zijn zelfstandig, omdat zij rechtstreeks staan onder het gezag van Christus zelf. En het is bij uitstek die relatie waarom Rutgers in zijn toelichting op artikel 1 K.O. het doel van de kerkorde benadrukt dat het gaat om de goede orde in de plaatselijke gemeente. Uit het feit dat een plaatselijke kerk rechtstreeks staat onder het gezag van Christus, die zijn gezag uitoefent via de ambten, volgt direct dat een plaatselijke kerk mag of soms moet afwijken van regels als stipte naleving de goede orde juist zou verstoren. Ook artikel 31 K.O. begrenst de absolute zeggenschap van besluiten: plaatselijke kerken zijn niet blind gebonden als een besluit indruist tegen Schrift, belijdenis of de Kerkorde. De kerkelijke orde is geen statelijke wet, maar maatwerk voor de lokale bloei. In tegenstelling tot plaatselijke kerken bezitten meerdere vergaderingen, zoals de generale synode, deze vrijheid om af te wijken daarom níet. Meerdere vergaderingen hebben namelijk geen enkele eigen, inherente macht; hun bevoegdheid is puur afgeleid en strikt beperkt tot wat de kerken hen vooraf in de Kerkorde hebben toegekend. Het gezag van meerdere vergaderingen berust daarmee op wat de kerken hun hebben gegeven en dat berust dus niet rechtstreeks op het gezag van Christus. Hoewel uiteraard omwille van de goede orde in de plaatselijke kerk, kerken zich bij gemeen akkoord hebben verplicht om besluiten van meerdere vergaderingen te gehoorzamen, vindt die gehoorzaamheid haar begrenzing in gehoorzaamheid aan Christus. Dat is een onvervreemdbaar recht van de plaatselijke kerken, welk recht in de ambten ligt besloten. Daarentegen ontberen meerdere vergaderingen als afgeleid orgaan dat recht en die bevoegdheid om buiten het afgesproken mandaat te treden.
Ingrijpen burgerlijke rechter
En precies daarin ligt het punt waarop, bij het schenden van de kerkorde door een meerdere vergadering de burgerlijke rechter kan ingrijpen als er voor kerken en kerkleden geen kerkelijke rechtsgang is om zich te verzetten tegen het schenden van de kerkorde door kerkelijke vergaderingen. Aan Pel kan worden toegegeven dat in het statelijk recht de vrijheid van kerkelijke oprichting, richting en inrichting wordt erkend, maar die is in dit geval ook niet zozeer in het geding. Voorzover Pel in dit kader verwijst naar en zich beroept op het arrest NGK/Gort van de Hoge Raad komt aan dat beroep in deze context nauwelijks enige betekenis toe. In dat arrest ging het over het stellen van regels en niet over de vraag of een kerkgenootschap in strijd mag handelen met zijn eigen regels. Het beroep op het arrest NGK/Gort is in feite irrelevant voor de vraag of een kerkelijke vergadering, zoals de generale synode, een besluit mag nemen in strijd met de eigen regels. Uit NGK/Gort blijkt vooral dat een kerkgenootschap ruime mate van vrijheid heeft om eigen regels te stellen, zelfs als die regels in strijd komen met Nederlands dwingend recht. De vrijheid om eigen regels te maken wordt slechts beperkt voor zover die regels strijd zouden opleveren met ‘zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen’ of ‘fundamenteel dwingend recht'. Dat heeft niet zoveel van doen met de vraag in hoeverre het kerkgenootschap, in casu de generale synode, in strijd handelt met haar eigen statuut. De vrijheid van kerkgenootschap pen om zichzelf te organiseren gaat uiteraard niet zo ver dat een kerkgenootschap ook bevoegd zou zijn om in strijd te handelen met zijn eigen kerkelijke regels, behoudens zeer zwaarwegende dwingendrechtelijke bepalingen of fundamenteel dwingend recht. In casu is ook helemaal niet in geschil dat de CGK wordt geregeerd door haar eigen statuut; sterker, dat statuut wordt juist zonder meer erkend. Er is geen discussie over de regels zelf, maar over de toepassing daarvan, door in dit geval de generale synode.
Analoge toepassing
Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant geldt als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een nietig kerkelijk besluit dat:
"De organisatie van de Gemeente wordt geregeerd door het eigen kerkelijke statuut, maar voor de vaststelling van burgerlijke rechten van de Gemeente kan de rechtbank treden in de beoordeling van de bevoegdheid van kerkelijke ambtsdragers en de geldigheid van kerkelijke besluiten. Voor wat betreft de kerkelijke besluiten kan de burgerlijke rechter de bepalingen van artikelen 2:14 – 2:16 BW analoog toepassen. Er is wel een voorbehoud: de burgerlijke rechter treedt niet in geschillen omtrent geloof en belijdenis".[16]
Hoewel Pel de analoge toepassing van de artikelen 2:14 - 2:16 BW problematiseert, geeft hij geen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat overeenkomstige toepassing van de artikelen 2:14 en 2:15 BW in dit geval niet geoorloofd zou zijn, omdat die niet te verenigen zouden zijn met het statuut en met de aard van de onderlinge verhoudingen van het kerkgenootschap.[17] Nu daarvoor geen argumenten zijn gegeven door Pel valt niet in te zien waarom de rechter zijn oordeel niet kan geven over en uitleg kan geven aan de Kerkorde, temeer omdat volgens vaste rechtspraak de Kerkorde geen recht is in de zin van art. 79 RO.[18] Er zijn evenmin argumenten waarom de civiele rechter niet zou mogen toetsen of een besluit van een orgaan - in casu de generale synode - in strijd is met het statuut, in dit geval de kerkorde van de CGK. In het licht van het voorgaande is Pels betoog dat analogische toepassing van artikel 2:14-2:15 BW op kerkelijke besluiten discutabel zou zijn, niet overtuigend. Dat het in algemeen ingewikkeld is om de artikelen 2:13 t/m 2:16 BW toe te passen is ook geen argument om die artikelen dan maar niet toe te passen. Er is geen enkele rechtsregel die voorschrijft dat bij ingewikkeldheid van de toepassing van wetsartikelen, die wetsartikelen buiten beschouwing mogen worden gelaten. In ieder geval is het geen argument om analoge toepassing van die artikelen op kerkelijke besluiten achterwege te laten. Het is tenslotte aan de rechter om daarover te beslissen. Datzelfde geldt ook voor de marginale toets die de rechter toepast bij de beoordeling van de vraag of een kerkelijk besluit nietig dan wel vernietigbaar is. De vraag hoe ver de toetsingsbevoegdheid van de rechter gaat, geldt in het civiele recht in algemene zin evenzeer. Dat is echter geen reden voor de rechter om zijn beslissing om die reden te weigeren. Dat bij de beoordeling van kerkelijke besluiten sprake is van een extra complicatie omdat - kort gezegd - daarbij ook het beginsel van scheiding tussen kerk en staat meegewogen moet worden door de rechter is evenmin reden voor de rechter om zich van een oordeel te onthouden. Dat het een ingewikkelde materie is waarbij de rechter voor grote uitdagingen staat, brengt ook niet met zich mee dat daardoor inbreuk wordt gepleegd op de kerkelijke autonomie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt namelijk niet in te zien waarom een ingewikkeld juridisch vraagstuk met kerkrechtelijke aspecten met zich brengt dat per definitie inbreuk wordt gemaakt op de kerkelijke autonomie. Artikel 2:14 BW handelt over de formele besluitvorming. En wellicht ten overvloede, los van het civiele recht, is in deze het kerkrecht zelf aan de orde. In deze staat vast - ook blijkens diverse adviezen van verschillende deskundigen en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland[19], dat het niet aanwijzen door de generale synode van een roepende kerk in strijd is met artikel 50 K.O.. Het is onbegrijpelijk dat waar Pel plaatselijke kerken hard valt, omdat zij besluiten niet voor vast en bondig houden, hijzelf vervolgens een loopje neemt met artikel 31 K.O. door de evidente strijd met de kerkorde, namelijk het niet door de generale synode aanwijzen van de roepende kerk, te rechtvaardigen met een cascade van drogredenen.
Verdergaande juridisering
Hoewel Pel, in navolging van vier van de vijf deputaten vertegenwoordiging, probeert om de rechtsgeldigheid van de aanwijzing van de roepende kerk door het deputaatschap vertegenwoordiging in twijfel te trekken door daarover te stellen dat deputaten vertegenwoordiging daartoe tegen hun wil zich gedwongen voelden en daarom onder die druk dat hebben gedaan om verdergaande juridisering te voorkomen, zijn die argumenten niet overtuigend. Dat het tegen de zin van deputaten vertegenwoordiging was om de CGK Hoogeveen als roepende kerk aan te wijzen, is op zichzelf echter geen grond om daarom te stelen dat de aanwijzing niet legitiem is. Dit nog los van het feit dat deputaat ds. Oosterbroek wel overtuigd is dat het deputaatschap vertegenwoordiging voldoende mandaat had om de roepende kerk Hoogeveen aan te wijzen. Bovendien kan ernstig getwijfeld worden aan de kracht van het argument dat er, mede onder druk door ‘het advies’ van de voorzieningenrechter, ervoor gekozen is om zelf de roepende kerk aan te wijzen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt dat namelijk niet in te zien, omdat, indien er principiële bezwaren zouden bestaan tegen het aanwijzen van de roepende kerk, het veeleer voor de hand zou hebben gelegen vonnis te vragen in het kort geding. Dan lag de beslissing niet bij deputaten vertegenwoordiging zelf, maar bij de burgerlijke rechter. Evenmin valt in te zien op welke wijze en waardoor het niet aanwijzen door deputaten vertegenwoordiging van de roepende kerk Hoogeveen zou leiden tot verdergaande juridisering. Immers, op dat moment was de zaak al gejuridiseerd. Kennelijk speelde juridisering echter geen rol voorafgaande aan het kort geding, omdat dan juridisering van de zaak metterdaad had kunnen worden voorkomen door zelf de roepende kerk aan te wijzen. Er was bovendien tijd en gelegenheid genoeg om het kort geding te voorkomen, terwijl meerdere deskundigen, waaronder De Hek en Zondag, deputaten vertegenwoordiging, voorafgaande aan het kort geding, ook hebben geadviseerd om zelf de roepende kerk Hoogeveen aan te wijzen. Deputaten vertegenwoordiging heeft die adviezen echter in de wind geslagen. Niet valt in te zien waarom verdergaande juridisering tijdens het kort geding ineens wel reden was voor het deputaatschap vertegenwoordiging om de roepende kerk aan te wijzen, maar voor die tijd niet. Het heeft ook niet uitgelegd welke verdergaande juridisering de deputaten vertegenwoordiging op het oog had. Het heeft er daarom eerder de schijn van dat het deputaatschap vertegenwoordiging aanvankelijk de inschatting had gemaakt dat de vorderingen van Broeksterwoude geen kans van slagen zouden hebben. Er was voor deputaten vertegenwoordiging voorafgaande aan het kort geding kennelijk geen noodzaak om tegemoet te komen aan Broeksterwoude door de roepende kerk aan te wijzen. De indruk bestaat echter dat, toen tijdens de mondelinge behandeling van de zaak duidelijk werd dat de vorderingen zeer waarschijnlijk zouden worden toegewezen, deputaten vertegenwoordiging eieren voor hun geld hebben gekozen. Het is veel aannemelijker dat zij zich hebben gerealiseerd dat een toewijzend vonnis in hun nadeel en in het nadeel van de Rijnsburggroep zou zijn, omdat dan, op basis van het vonnis, de roepende kerk zou worden aangewezen. Door onder protest en met het beroep op gewetensbezwaren een roepende kerk aan te wijzen, creëerden zij de mogelijkheid om na de aanwijzing van de roepende kerk vervolgens twijfel te zaaien over de rechtmatigheid van de door henzelf aangewezen roepende kerk. Het zou namelijk veel logischer en begrijpelijker zijn geweest bij ernstige gewetensbezwaren om het op een vonnis te laten aankomen, juist omdat het aanwijzen tegen het geweten zou indruisen. Dan zou hooguit door het vonnis de aanwijzing zijn vormgegeven, maar voor dat geval hadden de vier moderamenleden ook op dat moment kunnen aftreden en de uitvoering van het vonnis hebben kunnen overlaten aan ds. Oosterbroek. Daarvoor is niet gekozen en dat is, in het licht van de grote woorden van deputaten vertegenwoordiging, op zijn minst opmerkelijk en bevreemdend. De openlijke rekenschap en het aansluitend aftreden, komt zeer gekunsteld en onlogisch voor. En het blijkt dat tot op de dag van vandaag de Rijnsburggroep zich ook nog steeds op dit feitencomplex beroept om aan te tonen dat de aanwijzing van Hoogeveen gebaseerd zou zijn op schijnwettigheid. Het heeft er daarom alle schijn van dat bij de verantwoording van deputaten vertegenwoordiging aan de kerken over hun handelen ter zake de aanwijzing van de roepende kerk, er bewust voor is gekozen twijfel te zaaien over de rechtmatigheid van hun aanwijzing van de CGK Hoogeveen. Feit is dat vanuit de Rijnsburggroep tot op de dag van vandaag wordt beweerd dat de aanwijzing van de CGK Hoogeveen niet legitiem zou zijn. Daarmee is er door de Rijnsburggroep nu in feite veel meer sprake van verdergaande juridisering van deze kwestie, ondanks het feit dat de oud-deputaten beweerden dat zij de CGK Hoogeveen hebben aangewezen om de juridisering juist te voorkomen. Het is daarom een weinig geloofwaardig verhaal van de oud-deputaten vertegenwoordiging in het licht van de feiten en meer in het bijzonder in het licht van het feit dat de oud-deputaten zich niet alleen bij de Rijnsburggroep hebben aangesloten, maar daarin ook actief participeren en namens de Rijnsburggroep voortdurend de rechtsgeldigheid van de generale synode Hoogeveen ter discussie stellen.
Terugkeer Rijnsburggroep
De conclusie moet dan ook zijn dat Pels argumenten geen hout snijden en juist zorgen voor verdergaande juridisering. Het blijkt niet alleen vanuit civielrechtelijk -, maar ook vanuit kerkrechtelijk oogpunt dat de Rijnsburggroep handelt in strijd met haar verplichtingen uit het gemeen akkoord, doordat zij de legitimiteit van de meerdere vergaderingen binnen de CGK betwist en dienovereenkomstig handelt door zich bewust te onttrekken aan de kerkordelijke verplichtingen zonder grond of noodzaak, althans op verkeerde gronden. Daarmee zet zij CGK-kerken bewust op het verkeerde been, zaait zij twijfel en ontregelt het kerkelijk leven binnen de CGK. Dat alles dient de vrede niet, maar leidt tot chaos. Wie de goede orde van de plaatselijke CGK voor ogen heeft, die participeert binnen het kerkverband van de CGK. De Rijnsburggroep zou er goed aan doen terug te keren op haar schreden door weer binnen de boezem van de CGK deel te nemen aan het kerkverband en te zoeken naar wegen hoe alle kerken met elkaar in vrede kunnen samenleven, ondanks de verschillen die er zijn. Dat bevordert namelijk echt de vrede. En onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.
________________
[1] De Hek, B., & Zondag, W. (2026). Wil de echte CGK nu opstaan? Tijdschrift Voor Religie Recht en Beleid, 17(2), 7–31. https://doi.org/10.5553/tvrrb/187977842026017002002; Pel, P. (2026). Christelijke Gereformeerde Kerken in crisis. Tijdschrift Voor Religie Recht en Beleid, 17(2), 32–57. https://doi.org/10.5553/tvrrb/187977842026017002003
[2] De Hek, H., & Zondag, W. A. (2025, 18 september). Notitie juridische situatie CGK. Christelijke Gereformeerde Kerken: CGK. https://cgk.nl/kerkorde-en-kerkrecht/notitie-juridische-situatie-cgk/; Pel, P. T. (2025, 18 oktober). CGK: Het kerkverband in geding.
[3] Art. 87. K.O.: ‘ Deze artikelen, die de orde van de kerken regelen, zijn vastgesteld en aangenomen met gemeenschappelijk akkoord’.
[4] Greijdanus, S. (1946). Schriftbeginselen van kerkrecht inzake meerdere vergaderingen. J. Boersma, p.14-15, 18, 40-41
[5] Greijdanus, S. (1946). Schriftbeginselen van kerkrecht inzake meerdere vergaderingen. J. Boersma, p.14-15, 18, 40
[6] Rutgers, F.L. (1892-) Art. 1. (z.d.-d). https://kerkrecht.nl/node/1280/
[7] De CGK-kerkorde kent 87 artikelen. Artikel 87 K.O. van de CGK-kerkorde is het equivalent van artikel 86 K.O. waarover Rutgers uitleg
geeft.
[8] Rutgers, F.L. (1918) Art. 86. (z.d.-b). https://kerkrecht.nl/node/3131/
[9] idem
[10] idem
[11] idem
[12] Greijdanus, S. (1946). Schriftbeginselen van kerkrecht inzake meerdere vergaderingen. J. Boersma, p.14
[13] Artikel 32 NGB
[14] Artikel 7 NGB
[15] Kruger, G. (2023, 9 januari). The reformation is dead – killed by the silent revolution of the modern Pope. GKSA 95 Stellings - RCSA 95 Theses. https://gksa95stellings.wordpress.com/2017/10/31/the-reformation-is-dead-killed-by-the-silent-revolution-of- the-modern- pope/
[16] Rb. Zeeland-West-Brabant, 12-03-2025, nr. 424591 HA ZA 24-378(E) | InView. (z.d.). InView.
https://www.inview.nl/document/id36ef6537d88c4007a4bd8ce3556041d5/rb-zeeland-west-brabant-12-03-2025-nr-424591- ha-za-24-378-e?ctx=WKNL_CSL_10000001&tab=tekst&searchid=4344563939 , r.o.4.5
[17] Artikel 2:2 lid 2 BW
[18] Roest, J. (z.d.). Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek, Kerkgenootschappen bij: Burgerlijk Wetboek Boek 2, Artikel 2
[Kerkgenootschappen] | InView. InView. https://www.inview.nl/document/inod7bfb09d656fe4728444c4955d795528f/tekst-com mentaar-burgerlijk-wetboek-kerkgenootschappen-bij-burgerlijk-wetboek-boek-2-artikel-2-kerkgenootschappen? ctx=WKNL_CSL_563&tab=tekst; NJ 1992, 173: HR, 14-06-1991, nr. 14220 | InView. (z.d.). InView.
https://www.inview.nl/document/id15761991061414220nj1992173dosred/nj-1992-173-hr-14-06-1991-nr-14220? ctx=WKNL_CSL_92 &anchor=partijen&tab=tekst
[19] https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:8038; ✂️ 03Juni2025 Preadviseur. (z.d.). YouTube.
https://youtube.com/clip/UgkxSGimyWUS62YV9DqlvHomjAJ0OpMO_KIc?si=aHhQi8…

De juridische spagaat van mr. Bügel
Wie de beschouwing van mr. Hans Bügel leest over de legitimiteit van de ‘Hoogeveen-synode’ en de positie van de Rijnsburggroep, merkt al snel dat hij uit alle macht probeert om een diepgaand theologisch en kerkelijk conflict te vangen in het keurslijf van het burgerlijk verenigingsrecht. Bügel trekt een blik open aan gezaghebbende theologen en kerkrechtelijke klassieken – van F.L. Rutgers en prof. Bouwman tot Sebus Greijdanus – om te bewijzen dat de Rijnsburggroep de kerkorde schendt.
Wie zijn redenering echter van nabij volgt, ziet dat hij hopeloos verstrikt raakt in zijn eigen premissen, selectief winkelt in zijn bronnen en uiteindelijk zelf de kerkelijke autonomie ondergraaft waar hij de mond vol van heeft.
Rutgers en Greijdanus als boemerang
Het meest opvallende in Bügels betoog is hoe hij omgaat met de geciteerde autoriteiten. Hij haalt F.L. Rutgers aan om aan te tonen dat de kerkorde bindend is, en citeert terecht dat het doel van de kerkorde meebrengt dat men daar in bepaalde gevallen van kan afwijken. Maar direct daarna probeert hij dat in te dammen met een beroep op artikel 87 K.O. (“de kerken moeten de artikelen trouw naleven”). Hiermee ontstaat een interne spanning in zijn betoog: enerzijds erkent hij op gezag van Rutgers dat de kerkorde geen absoluut keurslijf is waarin noodsituaties worden doodgezwegen, anderzijds eist hij een blinde, formele gehoorzaamheid aan de reglementen van de meerderheid.
Nog scherper wordt dit bij de inzet van prof. Sebus Greijdanus. Bügel haalt Greijdanus aan om de verhouding tussen de plaatselijke kerk en de meerdere vergadering te schetsen, waarbij Greijdanus benadrukt dat een kerkverband berust op consensus mutuus (vrijwillige aaneensluiting) en dat plaatselijke kerken tegenover elkaar en het kerkverband vrij zijn zolang de meerdere vergaderingen niet buiten hun mandaat treden. Greijdanus waarschuwt zelfs expliciet dat meerdere vergaderingen die verder gaan dan hun verkregen rechten, handelen “revolutionair tegen de kerken en tegen God” met niets dan “menschelijke arrogantie en zelfverheffing”.
Het is volstrekt onbegrijpelijk waarom Bügel dit citaat inzet om zijn eigen gelijk te halen. Greijdanus’ woorden snijden immers de bodem weg onder het dwingende optreden van de landelijke structuren van Kamp Hoogeveen die buiten hun mandaat treden. Bügel hijst Greijdanus op het schild, maar krijgt de criteria van de professor direct op zijn eigen dak.
De synode als eigen slachtoffer
Bügel haalt in zijn stuk fel uit naar het verloop van de synodale vergaderingen en typeert de besluitvorming rond maart en juni 2025 als “dwaze besluiten” waarin men “moedwillig de kerkelijke orde ondergroef” doordat de vergadering zelf vastliep en de taken neerlegde.
Hier wringt zijn logica fundamenteel. Aan de ene kant stelt Bügel vast dat de synode als bredere vergadering door haar onderlinge blokkades en weggestemde voorstellen de orde liet ontsporen. Aan de andere kant rekent hij het de minderheid keihard aan dat zij – toen de landelijke vergadering zo vast kwam te zitten – zelf stappen moesten zetten om het kerkelijk leven draaiende te houden. Je kunt de synodale vergadering niet verwijten dat zij door haar eigen impasse de boel liet vastlopen, om vervolgens de Rijnsburggroep te veroordelen omdat die in diezelfde ontstane impasse naar een uitweg zocht.
De onvermijdelijke stap naar de civiele rechter
Misschien wel het meest opmerkelijke punt in Bügels betoog is zijn positie ten aanzien van de burgerlijke rechter. Nadat hij ellenlang heeft betoogd dat de kerk wordt geregeerd door haar eigen kerkelijke statuut en dat het gereformeerde kerkrecht een eigen, unieke logica kent, verdedigt hij met evenveel vuur dat de burgerlijke rechter wel degelijk bevoegd is om in te grijpen.
Hij stelt dat de civiele rechter de bevoegdheid heeft om de geldigheid van kerkelijke besluiten te toetsen door de artikelen 2:14 tot 2:16 BW (het rechtspersonenrecht) analoog toe te passen, en wuift het bekende NGK/Gort-arrest van de Hoge Raad (dat juist oproept tot extreme terughoudendheid van de civiele rechter in interne kerkelijke twisten) terzijde als nauwelijks relevant. Hiermee brengt Bügel zichzelf in een fundamentele spagaat: hij beroept zich enerzijds op de exclusief kerkrechtelijke en theologische aard van de gereformeerde ecclesiologie, maar zodra het erop aankomt, schuift hij het kerkrecht opzij en roept hij de seculiere magistraat te hulp om via het Burgerlijk Wetboek orde op zaken te stellen.
Conclusie
Wie Bügels betoog ontdoet van de geleerde retoriek en de historische citaten, houdt een juridisch construct over dat zichzelf op cruciale punten tegenspreekt. Hij gebruikt Rutgers en Greijdanus selectief, geeft toe dat de landelijke synode zelf steken liet vallen, en grijpt uiteindelijk toch terug naar het civiele recht om het gelijk van de meerderheid af te dwingen. Wie op deze manier de kerkelijke verhoudingen wil vangen, lost het conflict niet op, maar reduceert de kerkelijke orde tot een juridisch steekspel.
Reactie toevoegen