Misleidend
In het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid verscheen recentelijk een tweetal artikelen van mrs. De Hek en Zondag enerzijds en anderzijds mr.
In het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid verscheen recentelijk een tweetal artikelen van mrs. De Hek en Zondag enerzijds en anderzijds mr.
Reactie op artikel
De juridische spagaat van mr. Bügel
Wie de beschouwing van mr. Hans Bügel leest over de legitimiteit van de ‘Hoogeveen-synode’ en de positie van de Rijnsburggroep, merkt al snel dat hij uit alle macht probeert om een diepgaand theologisch en kerkelijk conflict te vangen in het keurslijf van het burgerlijk verenigingsrecht. Bügel trekt een blik open aan gezaghebbende theologen en kerkrechtelijke klassieken – van F.L. Rutgers en prof. Bouwman tot Saekle Greijdanus – om te bewijzen dat de Rijnsburggroep de kerkorde schendt.
Wie zijn redenering echter van nabij volgt, ziet dat hij hopeloos verstrikt raakt in zijn eigen premissen, selectief winkelt in zijn bronnen en uiteindelijk zelf de kerkelijke autonomie ondergraaft waar hij de mond vol van heeft.
Rutgers en Greijdanus als boemerang
Het meest opvallende in Bügels betoog is hoe hij omgaat met de geciteerde autoriteiten. Hij haalt F.L. Rutgers aan om aan te tonen dat de kerkorde bindend is, en citeert terecht dat het doel van de kerkorde meebrengt dat men daar in bepaalde gevallen van kan afwijken. Maar direct daarna probeert hij dat in te dammen met een beroep op artikel 87 K.O. (“de kerken moeten de artikelen trouw naleven”). Hiermee ontstaat een interne spanning in zijn betoog: enerzijds erkent hij op gezag van Rutgers dat de kerkorde geen absoluut keurslijf is waarin noodsituaties worden doodgezwegen, anderzijds eist hij een blinde, formele gehoorzaamheid aan de reglementen van de meerderheid.
Nog scherper wordt dit bij de inzet van prof. Saekle Greijdanus. Bügel haalt Greijdanus aan om de verhouding tussen de plaatselijke kerk en de meerdere vergadering te schetsen, waarbij Greijdanus benadrukt dat een kerkverband berust op consensus mutuus (vrijwillige aaneensluiting) en dat plaatselijke kerken tegenover elkaar en het Verband vrij zijn zolang de meerdere vergaderingen niet buiten hun mandaat treden. Greijdanus waarschuwt zelfs expliciet dat meerdere vergaderingen die verder gaan dan hun verkregen rechten, handelen “revolutionair tegen de kerken en tegen God” met niets dan “menschelijke arrogantie en zelfverheffing”.
Het is volstrekt onbegrijpelijk waarom Bügel dit citaat inzet om zijn eigen gelijk te halen. Greijdanus’ woorden snijden immers de bodem weg onder het dwingende optreden van de landelijke structuren die buiten hun mandaat treden. Bügel hijst Greijdanus op het schild, maar krijgt de criteria van de professor direct op zijn eigen dak.
De synode als eigen slachtoffer
Bügel haalt in zijn stuk fel uit naar het verloop van de synodale vergaderingen en typeert de besluitvorming rond maart en juni 2025 als “dwaze besluiten” waarin men “moedwillig de kerkelijke orde ondergroef” doordat de vergadering zelf vastliep en de taken neerlegde.
Hier wringt zijn logica fundamenteel. Aan de ene kant stelt Bügel vast dat de synode als bredere vergadering door haar onderlinge blokkades en weggestemde voorstellen de orde liet ontsporen. Aan de andere kant rekent hij het de minderheid keihard aan dat zij – toen de landelijke vergadering zo vast kwam te zitten – zelf stappen moesten zetten om het kerkelijk leven draaiende te houden. Je kunt de synodale vergadering niet verwijten dat zij door haar eigen impasse de boel liet vastlopen, om vervolgens de Rijnsburggroep te veroordelen omdat die in diezelfde ontstane impasse naar een uitweg zocht.
De onvermijdelijke stap naar de civiele rechter
Misschien wel het meest opmerkelijke punt in Bügels betoog is zijn positie ten aanzien van de burgerlijke rechter. Nadat hij pagina’s lang heeft betoogd dat de kerk wordt geregeerd door haar eigen kerkelijke statuut en dat het gereformeerde kerkrecht een eigen, unieke logica kent, verdedigt hij met evenveel vuur dat de burgerlijke rechter wel degelijk bevoegd is om in te grijpen.
Hij stelt dat de civiele rechter de bevoegdheid heeft om de geldigheid van kerkelijke besluiten te toetsen door de artikelen 2:14 tot 2:16 BW (het rechtspersonenrecht) analoog toe te passen, en wuift het bekende NGK/Gort-arrest van de Hoge Raad (dat juist oproept tot extreme terughoudendheid van de civiele rechter in interne kerkelijke twisten) terzijde als nauwelijks relevant. Hiermee brengt Bügel zichzelf in een fundamentele spagaat: hij beroept zich enerzijds op de exclusief kerkrechtelijke en theologische aard van de gereformeerde ecclesiologie, maar zodra het erop aankomt, schuift hij het kerkrecht opzij en roept hij de seculiere magistraat te hulp om via het Burgerlijk Wetboek orde op zaken te stellen.
Conclusie
Wie Bügels betoog ontdoet van de geleerde retoriek en de historische citaten, houdt een juridisch construct over dat zichzelf op cruciale punten tegenspreekt. Hij gebruikt Rutgers en Greijdanus selectief, geeft toe dat de landelijke synode zelf steken liet vallen, en grijpt uiteindelijk toch terug naar het civiele recht om het gelijk van de meerderheid af te dwingen. Wie op deze manier de kerkelijke verhoudingen wil vangen, lost het conflict niet op, maar reduceert de kerkelijke orde tot een juridisch steekspel.
Reactie toevoegen