Het apostelconvent

De afwijzing van de revisieverzoeken rond ‘Vrouw en ambt’ (ViA) binnen de CGK berust op onjuiste gronden. Op basis van het apostelconvent uit Handelingen 15 laat dit artikel zien waarom de synode het debat moet heropenen en moet kiezen voor consensus in plaats van uitsluiting.

Apostelconvent
admin

In Vrije-Interpretatie ‘Elasticiteit van artikel 31 K.O.’ is aandacht gevraagd voor het feit dat kerkrecht vredesrecht is dat in dienst staat van de Missio Dei. Om die reden moeten ook kerkelijke besluiten bijdragen aan die missie, zodat niet het meerderheidsprincipe van de democratie, maar het dienstbaarheidsprincipe van het Koninkrijk van de hemel bepalend is in de kerk.[1] Hoewel de rapporteurs van de meerderheidscommissie inzake revisieverzoeken ‘Vrouw en ambt’ vinden dat revisanten met hun beroep op Handelingen 15 voor het openstellen van de ambten geen recht doen aan het apostelconvent, berust de afwijzing van deze revisiegrond op onjuiste gronden. Dat is een gemiste kans. De besluitvorming tijdens het apostelconvent kan namelijk juist als model dienen om binnen de CGK in het besluitvormingsproces alsnog uit te gaan van het consensusmodel in plaats van het toernooimodel.

Verkeerde toetsingsmaatstaf
Als het besluit van de generale synode Rijnsburg-Nunspeet langs de meetlat van de elasticiteit van artikel 31 K.O. wordt gelegd, zijn er redenen om te concluderen dat het besluit van de generale synode om de revisieverzoeken inzake ‘vrouw en ambt’ allemaal ongegrond te verklaren onjuist is. Dat blijkt onder meer uit het feit dat het beginsel van hoor en wederhoor door commissie 7 is geschonden. Verder blijkt dat uit het feit dat zij een verkeerde toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het ViA-besluit van de generale synode Dordrecht-Nunspeet.  En in het bijzonder blijkt dat uit het feit dat de commissie bij de beoordeling van de revisieverzoeken ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat ‘het aan kerkelijke besluitvorming eigen is dat zij het ene stelt en daarmee het andere uitsluit.[2] Artikel 31 K.O. stelt bij besluitvorming consensus voorop. De rapporteurs gaan daarentegen alleen uit van meerderheidsbeslissingen. Dit is opmerkelijk, omdat het apostelconvent juist laat zien hoe een vergadering over een uiterst controversieel onderwerp haar deelname aan de Missio Dei serieus neemt. Zij zocht immers naar consensus door het handelen van God binnen haar eigen context te interpreteren.[3] Hoewel in het meerderheidsrapport wordt erkend dat revisanten een element hebben aangedragen dat niet eerder bij de besluitvorming werd betrokken, adviseren de rapporteurs toch het revisieverzoek op dit punt niet gegrond te verklaren. Als redenen voeren de rapporteurs aan dat revisanten niet duidelijk hebben kunnen maken dat dit element onterecht niet is betrokken bij de totstandkoming van het synodebesluit. Ook zouden zij niet hebben kunnen aantonen dat uit Handelingen 15 af te leiden is dat het al of niet hebben van vrouwelijke ambtsdragers een plaatselijke aangelegenheid is.[4] Uit niets blijkt echter dat de rapporteurs tijdens de revisieprocedure daadwerkelijk het debat met revisanten hebben gezocht, of dat zij de revisanten hebben gehoord, hoewel het advies van het meerderheidsrapport daar wel alle aanleiding toe gaf.

Eigen interpretatiekader
Die aanleiding voor debat en wederhoor was er, omdat de commissie haar eigen interpretatie  van Handelingen 15 laat prevaleren boven de interpretatie van revisanten, terwijl de rapporteurs erkennen dat het beroep van revisanten op Handelingen 15 een nieuw element is dat niet bij het synodebesluit betrokken was waar revisie tegen was ingesteld. De opvatting van de meerderheid van commissie 7 - inzake de revisieverzoeken ‘Vrouw en ambt’ van de generale synode Rijnsburg-Nunspeet - schiet tekort wanneer zij uitsluitend hun eigen interpretatiekader als uitgangspunt nemen. Zij ziet er namelijk ten onrechte aan voorbij dat artikel 31 K.O. een besluitvormingsproces voorschrijft dat uitgaat van gemeenschappelijk overleg en het streven naar eenparigheid, consensus dus; Meerderheidsbeslissingen zouden een uitzondering moeten zijn. Het gemeenschappelijke overleg en de eenparigheid zijn, blijkens het apostelconvent, kenmerkend voor kerkelijke besluitvorming. In een gepolariseerd kerkelijk landschap is kerkelijke besluitvorming ermee gediend als zij telkens het resultaat is van consensus om op die manier dienstbaar te zijn aan de Missio Dei. Tegen deze achtergrond heeft het meerderheidsrapport ten onrechte geadviseerd het beroep op Handelingen 15 ongegrond te verklaren.

Pascha en redding
Lucas laat in zijn beschrijving zien dat er fundamenteel verschil van inzicht over de besnijdenis bestond. Handelingen 15:1 begint met de beschrijving dat er een stevige ruzie ontstond over de vraag of de besnijdenis noodzakelijk is voor iemands redding. Het was een stevige confrontatie. Er valt zeker begrip op te brengen voor de leerlingen uit Judea die zich op het standpunt stelden dat de besnijdenis een voorwaarde is om gered te worden. In Exodus staat namelijk dat een vreemdeling pas mag deelnemen aan het Pesach maal nadat hij en al zijn mannelijke familieleden zijn besneden; er staat uitdrukkelijk bij dat een onbesnedene niet mag deelnemen.[5] Als men in het Oude Testament niet mocht deelnemen aan het Pascha zonder besnijdenis, dan is het niet vreemd om te denken dat men zonder besneden te zijn ook niet kan delen in de redding door Jezus. Wanneer Paulus en Barnabas vervolgens in Jeruzalem aankomen en de kwestie daar aan de orde komt, blijkt dat de farizeeën principieel vasthouden aan de voorwaarde van de besnijdenis. Nadat Paulus en Barnabas aan de vergadering verslag hebben uitgebracht over wat God door hen tot stand heeft gebracht – in het bijzonder de bekering van de heidense volken –, ontketenen de farizeeën een stevige theologische discussie met onder andere Petrus, Paulus en Barnabas. Deze discussie raakte voor de farizeeën duidelijk aan het Schriftgezag. Niet verwonderlijk dat daarom de emoties tijdens het debat hoog opliepen. De reactie die volgt op het getuigenis van Petrus staat vervolgens in schril contrast met de heftigheid waarmee op het verslag van Paulus en Barnabas door de vergadering werd gereageerd. Waar de overtuiging van Paulus en Barnabas zowel in Antiochië als in Jeruzalem eerst op hevig verzet stuitte, brengt Petrus met zijn toespraak de gemoederen tot bedaren, ondanks dat hij vurig pleit voor het standpunt van Paulus en Barnabas; redding komt alleen tot stand uit genade door Jezus Christus. Daarop zwijgen de aanwezigen. De aanwezigen zijn namelijk onder de indruk. Ze verzetten zich niet langer tegen de opvatting van Paulus en Barnabas dat de besnijdenis geen voorwaarde is voor de redding en dus ook geen voorwaarde voor de bekeerde heiden om gered te worden. Dat vindt bevestiging in het feit dat ook de farizeeën onder hen eerst de confrontatie zochten met Paulus en Barnabas, maar na Petrus’ toespraak zwegen om vervolgens naar Paulus en Barnabas te luisteren. Ze hebben zich dus laten overtuigen door Petrus. Ineens stonden ze wel open voor de praktijkvoorbeelden van Paulus en Barnabas, die Petrus boodschap bevestigden. Nadat Paulus en Barnabas waren uitgesproken, neemt vervolgens Jakobus het woord. Hij onderstreept wat Petrus heeft betoogd door erop te wijzen dat Petrus’ overtuiging steun vindt in de Schriften. Het betoog van Petrus en de bevestiging daarvan door Paulus en Barnabas – die vertelden over de grote tekenen en wonderen die God door hen onder de heidense volken had verricht – brengen Jakobus tot de conclusie: aan mensen uit de heidense volken die zich tot God bekeren, mogen geen al te zware lasten worden opgelegd.

Zwijgen en overtuigd
De rapporteurs veronderstellen dat alleen het Schriftberoep van Jakobus doorslaggevend is geweest voor het uiteindelijke besluit. Volgens hen waren de aanwezigen er tot tweemaal toe namelijk nog niet van overtuigd dat heidense gelovigen zich niet hoefden te besnijden. Zij raakten overtuigd noch door Petrus' betoog  over de Heilige Geest, noch door het aansluitende verhaal van Paulus en Barnabas over de wonderen onder de heidenen. Pas toen Jakobus de Schrift erbij haalde, ging de vergadering om en werd besloten om de gelovigen geen onnodige zware voorschriften op te leggen. Echter, de rapporteurs geven geen argumenten waarom de aanwezigen niet overtuigd waren door de betogen van Petrus, Paulus en Barnabas. De commissie lijkt eerder een doelredenering te hanteren. Zij redeneert vanuit haar overtuiging dat het Schriftberoep doorslaggevend moet zijn, zodat de argumentatie van Petrus, Paulus en Barnabas, die gebaseerd is op het werk van de Heilige Geest, die blijkt uit praktijkervaringen, simpelweg niet overtuigend kán zijn geweest. Zij schrijft namelijk:
 

“Dit doet echter geen recht aan wat Lukas nauwgezet in Handelingen 15 heeft beschreven. De constatering dat de Heilige Geest ook aan de heidenen gegeven is, wordt door de apostel Petrus ingebracht (v.7-11). Dit is echter nog niet overtuigend genoeg kennelijk, want in vers 12 staat dat de gemeente zweeg. In die stilte getuigen Barnabas en Paulus over de grote tekenen en wonderen die God onder de heidenen gedaan heeft, zoals zij dat hebben meegemaakt tijdens hun eerste zendingsreis. Ook dat is echter nog niet voldoende om tot een besluit te komen: in vers 13 zwijgt de menigte opnieuw.[6]  Daarna staat Jakobus op (v.13-21). Het verschil met wat Petrus en Paulus en Barnabas naar voren brengen, is dat Jakobus de Schriften erbij betrekt. Hij citeert in vers 15-17 Amos 9. Uit deze tekst is te concluderen dat in de profetie al voorzegd is dat de Heilige Geest aan de heidenen gegeven zal worden. Dat geeft Jakobus vrijmoedigheid om voor te stellen de besnijdenis niet dwingend op te leggen aan heidenchristenen, aangezien dat wat er gebeurt onder de heidenen die tot geloof komen onmiskenbaar het werk van de Heilige Geest is. Het Schriftberoep is in Handelingen 15 dus doorslaggevend. Daarmee geeft Handelingen 15 ons een voorbeeld hoe omgegaan moet worden met wat zich aan ons voordoet als het werk van God. Dat moet geijkt worden aan het Woord van God zelf. Pas dan kan het erkend worden als werk van de Heere en Zijn Geest”.

Uit het feit dat de gemeente zweeg, nadat apostel Petrus haar ervan getuigde dat de Heilige Geest ook aan onbesneden heidenen gegeven is, valt echter niet zonder meer te concluderen dat zijn betoog voor de aanwezigen niet overtuigend genoeg was. Het klopt dat de aanwezigen zwegen, maar vermoedelijk niet omdat zij niet overtuigd waren. Integendeel: zij waren juist onder de indruk van Petrus’ getuigenis. Het zwijgen van de menigte geeft aan dat zij geen weerwoord meer hadden op wat door Petrus is gezegd. Dit zwijgen komt vaker voor in de Bijbel.[7] Het zwijgen duidt erop dat er geen argumenten meer zijn om het standpunt van de ander te weerleggen en de erkenning van de autoriteit van de ander. Dat is bij Job bijvoorbeeld het geval; nadat God hem uitdaagt om te antwoorden op Gods vragen aan hem, antwoordt hij:

‘Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer, tweemaal – en doe er het zwijgen toe.’[8]

Job moet de antwoorden schuldig blijven en houdt daarom zijn mond. Ook in de evangeliën komt het regelmatig voor dat de tegenstanders van Jezus zwijgen, omdat ze beseffen geen weerwoord meer te hebben. Zo vertelt Lucas bijvoorbeeld over Jezus die te gast was in het huis van een vooraanstaande farizeeër. Er is daar een man die lijdt aan waterzucht. De wetgeleerden en farizeeën houden Jezus nauwlettend in de gaten om te zien of Hij op de sabbat zal genezen, zodat ze Hem kunnen aanklagen. Jezus vroeg aan de wetgeleerden en de farizeeën: ‘Is het toegestaan hem op sabbat te genezen of niet?’ Maar ze zwegen. Hij pakte de man bij de hand, genas hem en stuurde hem weg. En tegen de farizeeën en wetgeleerden zei Hij: ‘Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?’ Ook daarop hadden ze geen antwoord.[9] Lucas schrijft expliciet dat zij óók op de tweede vraag geen antwoord hadden. Bij de eerste vragen zwegen ze, zodat dit zwijgen kan worden opgevat als dat zij op die vraag geen antwoord hadden; ze moeten Jezus het antwoord schuldig blijven wegens gebrek aan argumenten. Als de hogepriesters, wetgeleerden en oudsten proberen om Jezus klem te zetten door te vragen naar Zijn bevoegdheid: "Krachtens welk gezag doet u deze dingen?", stelde Hij hen een tegenvraag over de doop van Johannes de Doper: was die hemels of menselijk? De wetgeleerden redeneren onder elkaar: als ze zeggen 'hemels', vraagt Jezus waarom ze Johannes niet geloofden. Als ze zeggen 'menselijk', stenigt het volk hen, want die zagen Johannes als profeet. Daarom  antwoordden ze dat ze het niet wisten.[10] Ook proberen spionnen van de schriftgeleerden en hogepriesters om Jezus een onwettige uitspraak te laten doen. Hij doorziet deze sluwheid. Op hun vraag geeft Jezus een verrassend antwoord en dat bracht hen in het nauw, waarop Lucas schrijft: ‘Ze slaagden er dus niet in om Hem ten overstaan van het volk te betrappen op een onwettige uitspraak, en omdat ze geen raad wisten met zijn antwoord, deden ze er het zwijgen toe’.[11] Hun stilzwijgen duidt erop dat zij afstand doen van de rol van wetuitlegger, een rol die eigenlijk bij uitstek onder hun bevoegdheid zou moeten vallen.[12] Eenzelfde soort zwijgen doet zich voor nadat Petrus heeft geconcludeerd dat ook de heiden-gelovige op dezelfde wijze worden gered door de genade van de Heer Jezus als de Joden.[13] De aanwezigen zwegen. Dat wil zeggen dat ook de farizeeën onder hen zwegen. Tegenover de argumenten van Petrus hadden zij geen weerwoord meer, maar dat niet alleen zij werden door de woorden van Petrus overtuigd. Dat blijkt uit het feit dat bij het zwijgen nadrukkelijk staat: "Daarop zwegen alle aanwezigen, en men luisterde naar Barnabas en Paulus, die vertelden welke grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidense volken had verricht.”[14] Zwijgen en luisteren dus naar Barnabas en Paulus die het standpunt van Petrus bevestigden met hun verhaal. Aan het begin van de vergadering hadden de farizeeën het theologische debat in alle scherpte geopend en luidruchtig laten horen dat ze het absoluut niet eens waren met Paulus en Barnabas hun opvatting over de redding van de heidenen zonder de besnijdenis, maar nadat Petrus had gesproken vallen ook de farizeeën in één klap stil en wordt de discussie ook door hen abrupt gestaakt. Het feit dat ze nu bleven zwijgen, was voor de hele zaal het overduidelijke bewijs: Petrus heeft gesproken, en wij leggen ons erbij neer. En dat niet alleen de aanwezigen zijn door Petrus ook echt overtuigd. Wilden farizeeën aan het begin van de vergadering niets horen over alles wat God door Paulus en Barnabas tot stand had gebracht[15], nu zijn ze een en al oor en hangen zij aan hun de lippen. De aanwezigen zijn geïnteresseerde en nieuwsgierige luisteraars geworden, die geconcentreerd en zonder enige onderbreking ademloos luisteren naar wat Paulus en Barnabas te vertellen hebben. En vervolgens bevestigt Jakobus het betoog en de praktijkvoorbeelden van de apostelen door te wijzen op de Schrift waarin al was voorzegd dat alleen de genade van de Heer Jezus zowel Jood als heiden redt. Daarbij valt op dat Jakobus begint met God als initiatiefnemer. Het is opvallend dat Jakobus zegt dat de profeten het eens zijn met wat God onder de heidenen aan het doen is. Jakobus zegt niet dat wat God doet in overeenstemming is met de profeten, maar draait het in feite om. De profeten zijn het eens met Petrus.[16]

‘amen-zeggen’
Het geheel van de gebeurtenissen in onderling verband gezien, rechtvaardigt daarom niet zonder meer de conclusie dat de vergadering pas overtuigd was nadat Jakobus zich op de Schrift had beroepen. Jakobus grijpt namelijk terug op het betoog van Petrus waaruit blijkt dat hij het gezag waarmee Petrus de vergadering toesprak ook volledig erkent. De essentie van het standpunt van Petrus, Paulus en Barnabas, evenals hun praktijkvoorbeelden, waren doorslaggevend voor zijn Schriftgebruik. Zij gaven hem het inzicht dat de besnijdenis geen voorwaarde is voor iemands redding. Jakobus maakt vervolgens expliciet duidelijk dat er geen sprake is van een nieuwe hermeneutiek of aantasting van het Schriftgezag, maar van een verbeterd Schriftverstaan, omdat in de praktijk gebleken is dat de grote tekenen en wonderen die God door Paulus en Barnabas onder de heidense volken had verricht, de juiste uitleg van de Schrift bevestigt. Dat wil zeggen dat Jakobus niet zegt dat de ervaring van Petrus en het werk van God getoetst moet worden aan de tekst om te zien of het wel mag. Hij zegt dat de tekst van de profeten matcht met wat God zojuist in de praktijk heeft gedaan. Het werk van God, de bekering van de heidenen en het getuigenis van Petrus is de actuele werkelijkheid. De Schrift wordt erbij geroepen als een 'amen'-zeggen, een bevestiging achteraf dat dit inderdaad altijd al Gods lijn was.[17]

Aan de vrucht kent men de boom
En juist op basis van die praktijk vormt Jakobus zijn mening dat mensen uit de heidense volken, die zich tot God bekeren, geen al te zware lasten mogen worden opgelegd. Jakobus ontdekte dat Gods redding tot lastenverlichting leidt, juist omdat gelovigen - Jood en heiden - van God de Heilige Geest hebben ontvangen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de apostelen in hun brief aan de gemeente Antiochië niet schreven: ‘Op grond van Gods Woord hebben wij het goed gedacht’, maar ‘het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht’.[18] Dat sluit namelijk naadloos aan op de woorden van de apostelen zelf en de conclusie van Jakobus. Uit de brief blijkt verder dat Jakobus' mening – dat aan de heidengelovigen geen al te zware lasten moeten worden opgelegd – inhoudt dat er alleen strikt noodzakelijke verplichtingen mogen worden opgelegd. Wat strikt noodzakelijk is, blijkt bovendien afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat blijkt uit het feit dat Paulus de verplichtingen die in de brief van de apostelen aan de gemeente Antiochië waren opgenomen, later nadrukkelijk afzwakte en zelfs ophief, omdat hij tot de overtuiging was gekomen dat ook die verplichtingen niet strikt noodzakelijk zijn. Zo schrijft Paulus later dat ons voedsel ons niet bij God zal brengen: eten wij niet, dan zal ons dat niet tot nadeel strekken; eten wij wel, dan zal ons dat niet tot voordeel strekken.[19] Daarmee klopt de stelling van revisanten dat juist de gave van de Geest aan niet-Joden heeft geleid tot het besluit dat besnijdenis niet noodzakelijk is voor christenen uit de heidenen. En het is daarom ook legitiem om naar analogie daarvan ruimte te bieden voor vrouwelijke ambtsdragers, wanneer bij hen gaven van de Geest worden herkend. Immers aan de vruchten kent men de boom. Daarmee is Handelingen 15 een voorbeeld van een vergadering die de missie van God serieus neemt door haar te interpreteren binnen haar eigen context.[20]

Door het Woord bevestigd
Hierbij valt nog op te merken dat er sprake was van een unaniem besluit van de vergadering om alleen voorschriften op te leggen die strikt noodzakelijk zijn. Daaruit valt te concluderen dat ook Paulus het er mee eens was dat het opleggen van voorschriften alleen mag als dat strikt noodzakelijk is. Sterker, Paulus lijkt zich daarvan ook bewust als hij later in zijn brief aan de Korintiërs schrijft dat alles is toegestaan, maar niet alles opbouwend is.[21] Het is niet onredelijk om de voorschriften die Paulus later aan de verschillende gemeenten geeft te bezien vanuit het perspectief van het besluit van het apostelconvent. Dat besluit bevat twee belangrijke uitgangspunten, zo lijkt het. Er moet ruimte zijn voor het werk van de Heilige Geest; ook in die zin dat niet zozeer het werk van de Geest moet overeenstemmen met het Woord, maar dat het concrete actuele werk van de Geest door het Woord wordt bevestigd. En het tweede is dat de voorschriften situationeel blijken te zijn. Dat wil zeggen; niet universeel, maar sterk afhankelijk van de actuele omstandigheden van het geval. Wie vanuit het perspectief van het apostelconvent kijkt naar Paulus’ latere voorschriften over bijvoorbeeld het zwijgen van vrouwen, realiseert zich dat sprake is van tijdgebonden voorschriften, niet omdat die voorschriften niet meer passen bij onze cultuur, maar omdat zij bewust gegeven zijn voor de situatie van die tijd onder toenmalige omstandigheden met het oog op de deelname van de kerk aan de missio Dei. Dan hoeven de gaven van de Geest niet uitgespeeld te worden tegen de voorschriften van Paulus die vrouwen het zwijgen lijkt op te leggen, maar gaat het om functionele voorschriften die strikt noodzakelijk zijn in verband met Gods missie.

Cirkelredenering
En daarmee gaat het advies in het meerderheidsrapport aan de essentie van Handelingen 15 voorbij[22]. De commissie heeft haar eigen conclusies getrokken zonder het debat hierover met revisanten aan te gaan.[23] Artikel 8 lid 2 IRRA bepaalt dat de commissie revisant en verweerder kan horen. In het licht van artikel 31 K.O. is dat ook passend.[24] Dan had de commissie revisanten kunnen voorhouden om welke redenen zij het beroep op Handelingen 15 niet gegrond vinden en een reactie kunnen vragen over haar voornemen om deze revisiegrond ongegrond te verklaren. Dat klemt temeer omdat de commissie erkent dat het beroep op Handelingen 15 een ‘nieuw element’ bevat, wat een van de vereisten is voor een succesvolle revisie. Het argument van de commissie dat het niet nodig zou zijn om Handelingen 15 te betrekken bij de herbeoordeling van het synodebesluit, omdat de generale synode al op grond van de Schrift had geconcludeerd dat er geen ruimte is voor het openstellen van de ambten, omdat de Schrift de ambten alleen heeft voorbehouden aan mannenbroeders, is een cirkelredenering. Revisanten maken nu juist bezwaar tegen het synodebesluit voor zover dat betrekking heeft op 'vrouw en ambt'. Volgens hen is er geen of onvoldoende rekening gehouden met de gaven van de Geest bij vrouwen, gaven die ook voor het kerkelijke regeerambt aangewend kunnen worden tot opbouw van de gemeente van Christus. Daarom moeten dan ook de Schriften opnieuw worden  onderzocht om te beoordelen of Handelingen 15 daarvoor ruimte biedt. De synode van Dordrecht-Nunspeet heeft weliswaar, nadat die Schriften onderzocht waren, het besluit van 1998 bekrachtigd, maar - dat staat vast - zonder te onderzoeken of, in het licht van Handelingen 15, de conclusie dat de Schriften geen ruimte bieden voor ViA wel terecht is.

Heropenen debat ViA
Er is dus alle aanleiding om het debat over ViA te heropenen. De revisieverzoeken zijn in ieder geval op dit punt ten onrechte ongegrond verklaard. Het zou goed zijn als erkend wordt dat - naast andere bezwaren tegen de wijze waarop de revisieverzoeken zijn afgehandeld - er voor de kerken aspecten onbesproken zijn die uiteindelijk van invloed kunnen zijn op de deelname aan de missio Dei. Het apostelconvent laat zien dat de kerken worden geroepen om te onderscheiden waar God werkt in de wereld, om daarin opgenomen te worden, en in die weg verbonden te raken met God en zijn Koninkrijk. Zending wordt participatie in de missie van God.[25] Dan is het niet eigen aan kerkelijke besluitvorming dat zij het ene stelt en daarmee het andere uitsluit, maar is het eigene dat zij dienstbaar is aan die vredesmissie, want onze God is geen God van wanorde maar van vrede.


________________
[1] Elasticiteit van artikel 31 K.O. | Vrije-Interpretatie. (z.d.). https://vrije-interpretatie.nl/elasticiteit-van-artikel-31-ko
[2] GS 2019-2022. (2022b). Rapport 2a (meerderheidsrapport) van commissie 7 inzake revisieverzoeken “Vrouw en ambt” (11.14        t/m 11.52 en 11.55 t/m 11.70), pagina 31
[3] Wilson, M. R. (2022). It Seems Good to Us and the Holy Spirit: Reformed Decision-Making and the Missional Challenge (Door        Vrije Universiteit Amsterdam, K. W. De Jong, B. Ensign-George, M. M. Jansen, A. Thayer, & C. Van Den Broeke);
[4] GS 2019-2022. (2022c). Rapport 2a (meerderheidsrapport) van commissie 7 inzake revisieverzoeken “Vrouw en ambt” (11.14        t/m 11.52 en 11.55 t/m 11.70).
[5] Exodus 12:48
[6] Hier lijken de rapporteurs zich ook te vergissen. Vermoedelijk referen zij aan de Statenvertaling waar staat: “en nadat deze            zwegen, antwoorde Jakobus (....).” Niet de aanwezigen zwegen, maar Paulus en Barnabas zwegen. ze waren namelijk uitge          praat.
[7] Kingcomments. (z.d.). KingComments | Handelingen. https://www.kingcomments.com/nl/bijbelstudies/Hd/15
[8] Job 40:1-5
[9] Lucas14:3-6
[10]  Luas 20:7
[11] Lucas 20:21.
[12] Dinkler, M. B. (2012). Silent Statements: Narrative Representations of Speech and Silence in the Gospel of Luke (Door Har            vard Divinity School & Harvard University) [Doctoral dissertation, Harvard Divinity School]. https://nrs.harvard.edu/URN-                  3:HUL.INSTREPOS:37367449, pagina 203
[13] Waarbij het opvalt dat Petrus zegt: De Joden worden op dezelfde wijze gered als de heidenen.
[14] idem
[15] Handelingen 15:4
[16] Unknown, U. (z.d.-f). Acts of the Apostles: Decree of the Council of Jerusalem (Acts 15) Part 1: The Literary Flow of Acts 15.          In Acts Of The Apostles .
[17] idem
[18] Handelingen 15:28, Sv
[19] 1 Corinthiërs 8:8-9;Nu zal ons voedsel ons niet bij God brengen: eten wij niet, dan zal ons dat niet
       tot nadeel strekken; eten wij wel, dan zal ons dat niet tot voordeel strekken. 1 Corinthiërs 8:8-9; U
       mag alles eten wat er in de vleeshal wordt verkocht; u hoeft niet omwille van uw geweten na te gaan
       waar het vandaan komt. Immers: ‘Van de Heer is de aarde en alles wat daar leeft.’ 1 Corinthiërs  10:25-26; De Heer Jezus              geeft mij de vaste overtuiging dat niets op zichzelf onrein is; iets is alleen onrein voor wie het als onrein beschouwt. Romeinen        14:14;
[20] Wilson, M. R. (2022). It Seems Good to Us and the Holy Spirit: Reformed Decision-Making and the Missional Challenge (Door        Vrije Universiteit Amsterdam, K. W. De Jong, B. Ensign-George, M. M. Jansen, A. Thayer, & C. Van Den Broeke), pagina 2
[21] 1 Corinthians 10:23
[22] idem, pagina 28
[23] Deze kritiek geldt uiteraard voor de commissie van het minderheidsrapport.
[24] Binnen het bestek van deze Vrije-Interpretatie voert het te ver omdat verder uit te werken.
[25] Paas, S. (2023). Vrede op aarde: Over heil en redding in deze tijd. KokBoekencentrum Uitgevers, pagina 352

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master