Dekker's doodzonde

  • Geplaatst op: 29 November 2019
  • Door: Hans Bügel

Met dank aan mr. Regter, strafrechtadvocaat te Heerlen, die de beschikking op zijn WOB-verzoek aan de Raad voor Rechtsbijstand op zijn website publiceerde inclusief de daarbij behorende bijlagen, stel ik vast dat de minister voor Rechtsbescherming de Tweede Kamer bewust verkeerd heeft geïnformeerd over de juridische grondslag van de pilot van de Raad voor Rechtsbijstand en LegalGuard. Ofschoon de reactie door minister Dekker op mijn bijdrage ‘Foute antwoorden’ aan de Tweede Kamer mij al onjuist voorkwam en ik dat ook zo heb verwoord in mijn bijdrage ‘Jantje van Leiden’, heb ik daarvoor nu ook bewijs voorhanden. Uit de WOB stukken blijkt namelijk klip en klaar dat de Raad voor Rechtsbijstand en LegalGuard een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten, terwijl voorts ook blijkt dat het ministerie van Justitie & Veiligheid het met mij eens is dat dit dus een overeenkomst is ‘tot het verlenen van rechtsbijstand op bepaalde rechtsgebieden.’, als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub c Wrb. 

Zo blijkt, al uit een e-mailbericht van het ministerie van Justitie & Veiligheid van 28 augustus 2018, dat het ministerie van oordeel is dat, als er een overeenkomst zou worden gesloten met Stichting Achmea Rechtsbijstand op grond van artikel 13 lid 3 Wrb, het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand regels moet stellen met betrekking tot het aangaan van zo’n overeenkomst. In diezelfde mail valt ook de term ‘privaatrechtelijke dienstverleningsovereenkomst’. Dit wordt vervolgens onbetwist bevestigd in de e-mail van 19 februari 2019 waarin namens de Directie Juridische en Operationele Aangelegenheden ( DJOA) van het ministerie van Justitie & Veiligheid wordt gemeld dat, omdat er een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten tussen de Raad voor Rechtsbijstand en LegalGuard ten aanzien van de Pilot, het niet mogelijk en oneigenlijk is ‘om op het moment dat er een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten is tussen de Raad voor Rechtsbijstand en LegalGuard deze te bekostigen met een bestuursrechtelijke subsidieverstrekking’. Ook hier kan er geen misverstand over bestaan dat het dus niet gaat over een door de Raad voor Rechtsbijstand in te richten voorziening als bedoeld in artikel 8 lid 2 Wrb. 

Uit de beschikbare informatie blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de pilot zou willen financieren op basis van een subsidieregeling. Daarbij baseerde zij zich op haar bevoegdheid ex artikelen 37b en 37bc van Wrb. Uit artikel 37b Wrb blijkt dat ‘het bestuur  aan een rechtsbijstandverlener of een samenwerkingsverband van rechtsbijstandverleners ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand subsidie kan verstrekken voor bijzondere doeleinden en projecten.’ Uit de toelichting op dit wetsartikel blijkt dat met dit artikel bedoeld is ‘de mogelijkheid te regelen dat de raad aan een advocaat of aan een advocatenkantoor een subsidie verstrekt voor bijzondere doeleinden en projecten ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand. Zo kan de financiële afhandeling van de verlening van rechtsbijstand gebaat zijn bij een geautomatiseerde verwerking. Indien een advocatenkantoor financieel niet in staat is zijn automatisering aan te passen of de aanpassing uitsluitend ten behoeve van de raden voor rechtsbijstand geschiedt kan een subsidie worden verstrekt. De raden zullen beleidsregels moeten ontwikkelen met betrekking tot de gevallen waarvoor een doelgebonden of projectsubsidie wordt verstrekt. De beleidsregels moeten door de Minister van Justitie worden goedgekeurd.’

Ofschoon een rechtsbijstandverlener óók een medewerker van een voorziening voorzover belast met de verlening van rechtsbijstand kan zijn, blijkt uit het mailbericht van het ministerie dat zij daarvan - terecht - niet uitgaan, omdat, zoals het ministerie in haar mail schrijft: ‘de betaling voor de verleende diensten uit de overeenkomst niet kan worden gedaan middels een subsidie. Dan ontstaat een botsing van privaat- en bestuursrecht.’ Dat sluit ook aan op de hiervoor weergegeven bedoeling van de subsidieregeling.

Daarmee staat genoegzaam vast dat de conclusie van de minister dat de Raad voor Rechtsbijstand binnen de grenzen van de wettelijke kaders opereert, niet deugt. Immers, overduidelijk is aangetoond dat de pilot wordt uitgevoerd op basis van een ‘privaatrechtelijke dienstverleningsovereenkomst’, zodat er geen sprake kan zijn van een door de Raad voor Rechtsbijstand getroffen voorziening ex artikel 8 lid 2 Wrb. De argumentatie van minister Dekker is dus fout wanneer hij redeneert dat de pilot een voorziening is die bijdraagt aan de verantwoordelijkheid van de Raad voor Rechtsbijstand ter zake de organisatie en de uitvoering van de rechtsbijstand. 

Minister Dekker heeft daarmee ook bewust de Tweede Kamer verkeerd geïnformeerd, omdat in augustus 2018 zijn ministerie al wist dat de pilot plaatsvindt op basis van het verlenen van rechtsbijstand op een bepaald gebied, zijnde een civielrechtelijke dienstverleningsovereenkomst als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub c Wrb. Tevens wist het ministerie ook toen al dat het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, ex artikel 13 lid 3 Wrb regels moet stellen met betrekking tot het aangaan van zo’n overeenkomst. Uit een eerder WOB-verzoek van mr. Regter blijkt dat deze regels niet zijn gesteld. Daarmee handelt de Raad voor Rechtsbijstand in strijd met de wet. De minister heeft daarmee bewust voor gekozen de Tweede Kamer onjuist te informeren door haar te berichten, als reactie op mijn blog, dat de pilot zich als een voorziening kwalificeert; dat is niet een vergissing naar nu blijkt, want de minister wist in 2018 al dat de pilot geen voorziening betrof, maar een dienstverleningsovereenkomst. Daarmee is dan ook van een voorziening geen sprake. Dat is ernstig omdat meermalen hierover vragen zijn gesteld. Meermalen is ook gemotiveerd betwist dat de pilot een voorziening als bedoeld in de Wrb zou zijn en dat ook niet kan zijn doch de minister volhardde onverdroten in zijn foute standpunt. Immers, met de wetenschap dat er geen regels zijn gesteld door het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand voor het sluiten van de overeenkomst met LegalGuard voldoet de pilot niet aan de daaraan te stellen wettelijke eisen, zodat de pilot plaatsvindt buiten de grenzen van de wettelijke kaders. De pilot is ook geen onschuldig experiment. Zij heeft, zo blijkt uit een e-mail van 21 februari 2019 immers tot doel “ervaring opdoen met RBverzekeraar. Daar lessen uit trekken. Verbreding?” De pilot kan worden gebruikt voor het samenstellen van rechtshulppakketten en dat raakt onmiddellijk de belangen van rechtzoekenden en rechtsbijstandverleners. Als het kennelijk nodig is de Tweede Kamer bewust onjuist te informeren, wekt dat weinig vertrouwen ter zake de toch majeure stelselwijziging die de minister voorstaat. Er wordt lichtvaardig omgegaan met de belangen van sociaal advocaten en dat mag de Tweede Kamer toch niet ongemerkt laten gebeuren. De minister schaadt het vertrouwen door bewust onjuiste informatie te geven en dat kan geen goede basis zijn voor een stelselwijziging waarop in de afgelopen maanden al zoveel gefundeerde kritiek is geleverd. Als een pilot al omgeving is met zoveel desinformatie wat zegt dit dan over het hele proces van de stelselwijziging en de gevolgen daarvan voor rechtzoekenden en sociaal advocaten? Het is werkelijk te hopen dat de Tweede Kamer zich niet opnieuw laat afschepen met onjuiste informatie. De Kamer onjuist informeren is één, maar de Tweede Kamer bewust onjuist informeren is een doodzonde, lijkt mij. Volgens mij is de Tweede Kamer nu aan zet! 

 

Reactie toevoegen

Filtered HTML

  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Toegelaten HTML-tags: <a> <em> <strong> <cite> <blockquote> <code> <ul> <ol> <li> <dl> <dt> <dd>
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.

Full HTML

  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.

Plain text

  • Geen HTML toegestaan.
  • E-mail- en internetadressen worden automatisch aanklikbaar.
  • Regels en alinea's worden automatisch gesplitst.