Anekdotisch bewijs

In dit artikel wordt de stelling weerlegd dat het weigeren van geloofsbrieven een wettig instrument is. Historische voorbeelden worden verkeerd geïnterpreteerd en zijn niet normatief. De Kerkorde biedt simpelweg geen grondslag voor een dergelijke weigering door meerdere vergaderingen.

<none>
Hans Bügel

In Ambtelijk Contact schreef dr. Van Driel een artikel onder de titel ‘Crisis door nieuw kerkrecht’ over geloofsbrieven in de geschiedenis.[1] Van Driel probeert, aan de hand van historische voorbeelden en met een beroep op professor Hovius, te betogen dat het weigeren van geloofsbrieven zou behoren tot het instrumentarium van een meerdere vergadering in de omgang met kerken die zich door hun opstelling buiten het kerkverband zouden plaatsen. Dat binnen de CGK van dit instrument geen gebruik wordt gemaakt, schrijft Van Driel toe aan de aanhangers van het nieuwe kerkrecht, waaronder deputaten Kerkorde & Kerkrecht (KOKR), die het kerkbegrip zouden verabsoluteren, waardoor de kerkelijke orde zou worden gerelativeerd.

Achtergrond weigering geloofsbrieven 
Uit de diverse acta, waarnaar Van Driel verwijst, blijkt echter dat de voornaamste reden dat geloofsbrieven door een kerkelijke vergadering werden geweigerd was dat de lastgevers de kerkelijke vergadering op voorhand niet als een legitieme vergadering erkenden of het gebruik van de Dordtse Kerkorde door de lastgevers niet werd aanvaard als bindende regeling waaraan de kerken zich verbonden hadden. Tijdens de generale synode van 1837 bleek dat de kerken de Dordtse Kerkorde niet als bindende regeling beschouwden, maar als een leidraad voor kerkelijk handelen. Uit het voorwoord van de acta wordt geschreven dat de kerkorde blijk geeft van de principes van het koninkrijk van de hemel. Vervolgens wordt in het voorwoord uiteengezet wat de aard van de kerkorde is:

"Wie de handelingen over dit onderwerp nagaat, zal kunnen zien, dat de Synode getracht heeft te waken voor de eere van den Koning der Kerk, voor de zuiverheid der leer en de bezorging van de goede orde in de Gemeenten. Terwijl zij zich afkeerig betoond heeft van het verlaten der oude beproefde paden, is zij ook op hare hoede geweest tegen de verkeerdheden, die reeds in vroegere dagen tegen Gods Woord ingevoerd waren; waaronder onze godzalige voorvaders gebukt gingen, doch waarvan wij door Gods genade verlost zijn. Hierom is de Kerkeördening der Synode te Dordrecht, in 1619 gehouden, als leidraad gevolgd: doch niet blindelings. Zij is nagezien en, waar het belang der Kerk dit vereischte, is zij veranderd, vermeerderd of verminderd.
Wat de aanvaarding van de Dordtse Kerkorde als leidraad betekende blijkt uit de synodale besluiten dienaangaande; de generale synode besloot onder andere unaniem dat “Geene vergadering van opzieners mag eenig volstrekt verbindend bevel aan eene bijzondere gemeente, of aan de geheele gemeente, waarover zij gesteld zijn, geven, wanneer in het Woord Gods de verpligting van zoodanig bevel niet duidelijk is aangetoond”.[2] “(...) Daarop wordt nog een volgend artikel voorgesteld, hetwelk met eenige verandering aldus wordt aangenomen met meerderheid van stemmen:
Art. 6. In zoodanige dingen, die niet in het Woord Gods uitgedrukt staan, maar nogtans naar den toestand der kerk en het welzijn der gemeente eene bepaling vereischen, behooren wel de opzieners der gemeente bestiering te geven, en mag wederkeerig niemand willekeurig daarvan afwijken, evenwel mag nooit van zoodanige gevallen een last of dwang gemaakt worden”.[3]

Uit deze besluiten blijkt dat de generale synode in feite de bewijslast van artikel 31 K.O. omdraaide. Terwijl artikel 31 K.O. er vanuit gaat dat kerkelijke besluiten voor vast en bondig worden gehouden door de kerken, bepaalde de generale synode van 1837 dat een synodebesluit niet voor vast en bondig hoeft te worden gehouden, tenzij de synode uit de Schrift expliciet aantoont dat het verplicht is.

Gevolgen van bewijslastomkering
Deze ‘bewijslastomkering’ bleek in de daarop volgende jaren tot bestuurlijke onmacht en wanorde te leiden. Een groot deel van de provincies Utrecht, Zeeland, Zuid-Holland en Brabant lieten zich niet ter synode vertegenwoordigen. Zo bleek bijvoorbeeld dat er namens een vergadering gehouden op 30 en 31 oktober 1840  van kerkbestuurders uit de provincies Utrecht, Zuid-Holland, Zeeland en Beneden-Gelderland een brief was gestuurd aan ds. A. Brummelkamp van de roepende provinciale kerkelijke vergadering waarin zij lieten weten dat zij geen reden zagen om een landelijke kerkelijke vergadering te houden. Zij adviseerden dringend om géén officiële vergadering onder de naam 'Synode' te houden. In plaats daarvan stelden zij voor om alleen een (informele) bijeenkomst van predikanten te beleggen, om te onderzoeken of iedereen nog op één lijn zit qua geloof en dat vervolgens openbaar te maken.[4] Ook was er een brief binnengekomen van de kerkbestuurders uit Noord-Brabant. Zij keurden het houden van een landelijke kerkvergadering in de huidige omstandigheden eveneens af, omdat zij dachten dat dit de problemen alleen maar ingewikkelder zou maken. Om die reden hadden zij geen afgevaardigden gestuurd. Toch lieten ze weten dat ze bereid waren zich aan te sluiten bij alle besluiten die in overeenstemming met Gods Woord genomen zouden worden, en zich daaraan te zullen onderwerpen.[5] Verder blijkt dat de generale synode de afwezigheid afkeurde. Er was derhalve geen kwestie over geloofsbrieven. Voor zover Van Driel bedoelt dat bij het voorlezen van de geloofsbrieven reeds bleek dat er bij gemeenten en kerkbestuurders uit verschillende provincies – die de afgevaardigden hadden benoemd – de wens leefde om een algemene kerkorde vast te stellen, betreft dit geen kwestie over de lastbrieven zelf. Het bleek namelijk dat, hoewel de overgrote meerderheid van de aanwezigen ter synode was voorzien van geloofsbrieven, maar dat dit niet gold voor de ouderlingen C.G. de Moen en P. Zonne. Zij beschikten niet over een lastbrief. Ouderling De Moen was afgevaardigd door de kerkbestuurders van de gemeenten Ommen, Heemse en Ham, want de provinciale kerkvergadering van Overijssel had wel predikanten, maar geen ouderling als afgevaardigde benoemd. Ouderling Zonne was slechts door twee gemeenten benoemd, omdat de provinciale kerkvergadering van Zuid-Holland helemaal geen afgevaardigden had gekozen.  Desondanks heeft de vergadering aan deze broeders dezelfde rechten toegekend als de leden die op gewone wijze waren afgevaardigd.[6]

Geloofsbrieven in 1843 en 1846 
Ook blijkens het gereconstrueerde verslag van de generale synode van 1843 blijkt dat, hoewel ten tijde van het onderzoek naar de geloofsbrieven discussie onder de afgevaardigden ontstond, die niet ging over de lastbrieven zelf, maar over de vraag op basis van welke kerkorde de te constitueren vergadering zou gaan vergaderen. Uit artikel 1 van de acta blijkt namelijk dat de aanwezige personen zonder enig voorbehoud als afgevaardigden worden aanvaard doordat zij over een lastbrief beschikten.[7] Uit de acta van de generale synode te Groningen van 1846 blijkt vervolgens dat er weliswaar discussie ontstaat over het aanvaarden van afgevaardigden, maar spitst de discussie zich toe op de vragen of de lastgevers de vergadering wel erkennen als generale synode van de kerken en of zij het regime van de Dordtse kerkorde aanvaarden. Zo blijkt uit artikel 7 van de Acta:

Is men overgegaan tot het onderzoek der onderscheidene lastbrieven, of men zich vereenigen konde met de uitschrijving, om eene Nationale Synode te houden, zoo als die geschied is door de Vergadering van drie vereenigde Provinciën, gehouden in Groningen in Junij 1846. Hierover is eerst lang en breed gesproken met de Afgevaardigden van Gelderland en Overijssel, en hun eindelijk gevraagd; vooreerst:

1. Of zij deze Vergadering houden voor eene Synode in den geest onzer Vaderen?
2. Of zij de kerke-orde met ons kunnen volgen tot eenen regel omtrent de regeering der Kerk?
Waarop door hen geantwoord is: Zoover als de kerke-orde met Gods Woord overeenkomt, dan wel, tenzij zij het tegendeel met Gods Woord kunnen bewijzen”.[8]

Het spreekt vanzelf dat afgevaardigden van lastgevers die de vergadering niet als rechtmatige vergadering erkennen of de regels die van toepassing zijn op de vergadering niet aanvaarden, geen stemrecht kan worden gegeven. Als de legitimiteit van de vergadering op voorhand wordt betwist, kunnen afgevaardigden die daarvan in hun geloofsbrief of anderszins blijk geven niet met stemrecht tot de vergadering worden toegelaten. Op de vraag of de Gelderse en Overijsselse afgevaardigden zouden kunnen worden toegelaten met stemrecht antwoordt de vergadering unaniem:

Niet anders dan op grond van de kerke-orde, in verband met het voorberigt, in 1840 vóór het Kerkelijk Handboekje geplaatst”.[9]

Dat wil zeggen dat de afgevaardigden van Gelderland en Overijssel alleen tot de vergadering konden worden toegelaten als zij de kerkorde aanvaarden op basis van destijds in 1840 geformuleerde uitgangspunten zijnde de erkenning dat de kerkorde niet gelijk staat aan Gods Woord, maar als een menselijke regeling, die nuttig is voor de goede orde in de kerk voor zover zij overeenstemt met Gods Woord.[10] Daarnaast  sprak de generale synode van 1840 uit dat alle artikelen die handelen over de overheid, haar recht en invloed in kerkelijke zaken die in de kerkorde van 1618 en 1619 stonden niet langer meer van toepassing zijn en daarom buiten werking zijn gesteld.[11] Ook gold als uitgangspunt sinds 1840 dat de kerkorde niet bedoeld is om de vrijheid van de plaatselijke Kerken te beperken, of haar hiërarchisch onder de meerdere vergaderingen te brengen.[12] De afgevaardigden uit Gelderland en Overijssel waren daartoe bereid "zoover als deze met Gods Woord overeenkomt, tenzij zij het tegendeel kunnen bewijzen." Dat was voldoende om de afgevaardigden te aanvaarden. Met betrekking tot de afgevaardigden van de provincie Noord-Holland lag de kwestie anders. Uit de acta blijkt namelijk dat de provincie Noord-Holland de rechtmatigheid, de legitimiteit, van de generale synode als zodanig betwistte en het gezag van haar besluiten daarom ook niet wilde aanvaarden. Om die reden werden de afgevaardigden van Noord-Holland toegelaten met enkel een raadgevende stem, wat nog coulant is, gelet op het feit dat zij de vergadering van de generale synode niet als rechtsgeldig beschouwden.[13]

Noord-Holland en 1849-1851 
Tijdens de generale synode van 1849 deed zich de kwestie voor dat afgevaardigden ter vergadering kwamen waarvan bleek dat hun lastgever niet behoorde tot het kerkverband. Ondanks dat in de lastbrief trouw werd uitgesproken aan de leer, de dienst en de tucht van de Gereformeerde Kerken in Nederland — zoals die zijn vastgelegd in de Formulieren van Enigheid en de Kerkorde van de Dordtse en overige Synodes, bleek voorts dat “zij geene verbindende Kerkregering volgens Art. 31 der Kerkeördening van Dordrecht, erkennen”.[14] De discussie tijdens de generale synode van 1851 betrof geen discussie met degenen die een voorbehoud maakten ten aanzien van de kerkorde, maar ging over de vraag hoe onder andere ds. Brummelkamp en ds. Donner al enkele jaren een eigen, losse koers voerden en door de generale synode werden beschouwd als een groep die zich feitelijk buiten de kerkelijke gemeenschap had geplaatst, weer herenigd konden worden en weer in de gemeenschap van de kerk konden worden opgenomen. Deze afgevaardigden hadden ook helemaal geen lastbrief bij zich zodat ook hier geen sprake was van het weigeren van lastbrieven als zodanig. Nu deze personen geen geldige lastbrief hadden van de bij het kerkverband behorende lastgevers, konden zij formeel uiteraard geen stemhebbend lid worden van de vergadering.[15]

Conclusie inzake historische voorbeelden 
Daaruit volgt dat de voorbeelden die Van Driel geeft uit de verschillende acta geen steun geven voor zijn betoog dat de kerkelijke voorouders de geloofsbrieven beoordeelden op hun betrouwbaarheid, omdat die kwestie tijdens de verschillende synodes zich toespitsten op het feit dat de lastgevers hun afgevaardigden een lastbrief meegaven, terwijl die lastgevers de legitimiteit van de generale synode niet erkenden of kerkorde niet aanvaardden. Dergelijke openlijke verklaringen of gedragingen van afgevaardigden konden uiteraard niet worden genegeerd. De door Van Driel aangehaalde acta bevatten dan ook onvoldoende bewijs voor de stelling dat het weigeren van geloofsbrieven van lastgevers die tot de CGK behoren en kerkrechtelijk middel is om afgevaardigden te weigeren wanneer lastgevers bepaalde synodale besluiten niet voor vast en bondig houden door een beroep op de tenzij-bepaling.

Het voorbeeld van Mitterrand 
Voor zover Van Driel probeert om zijn standpunt kracht bij te zetten dat geloofsbrieven niet slechts een formaliteit zijn, maar ook om een inhoudelijke toetsing vragen onder de verwijzing naar de weigering van de Franse president Mitterrand, is dat eerder het bewijs van het tegendeel. In die situatie was sprake van een politieke rel waarbij Mitterrand het diplomatieke protocol - het in ontvangst nemen van lettres de créance-  gebruikte als geopolitiek drukmiddel. In de context van het officiële overheidsbericht van de Franse president van 2 oktober 1987 staat dat president François Mitterrand de ceremonie voor het in ontvangst nemen van de geloofsbrieven van de nieuwe Zuid-Afrikaanse ambassadeur had uitgesteld totdat de Franse leraar Pierre-André Albertini zou worden vrijgelaten uit de gevangenis in Zuid-Afrika.[16] Van een inhoudelijke toetsing van de geloofsbrieven van de Zuid-Afrikaanse ambassadeur was dan ook helemaal geen sprake. In ieder geval kan niet uit de door Van Driel gegeven voorbeelden de conclusie worden getrokken dat het weigeren van de geloofsbrief een ordemaatregel zou zijn die tot het instrumentarium van een meerdere vergadering behoort in de omgang met kerken die zich door hun opstelling buiten het kerkverband zouden plaatsen.

Geen kerkordelijke grondslag
Daarnaast geldt dat, zelfs als in het verleden de voorvaderen het weigeren van geloofsbrieven zouden hebben gebruikt om lastgevers en afgevaardigden uit te sluiten van kerkelijke vergaderingen en in het bijzonder van de generale synode, dat op zichzelf nog geen argument van betekenis is. De vraag naar de rechtmatigheid om als meerdere vergaderingen geloofsbrieven te mogen weigeren kan niet zomaar worden beslist met een enkele verwijzingen naar vroegere gebeurtenissen van onze kerkelijke voorouders, omdat hun handelen in zichzelf niet normatief is. De rechtmatigheid daarvan moet namelijk altijd worden getoetst aan de Schrift en aan de juiste beginselen van gereformeerd kerkrecht, om dat handelen als maatstaf te kunnen gebruiken voor het verdere kerkelijke handelen.[17] Daarentegen hebben de kerken in de kerkorde, ex artikel 85 K.O., vastgelegd dat ‘geen kerk zal over andere kerken, geen ambtsdrager over andere ambtsdragers, op welke wijze ook, heersen’. De afgevaardigden komen dus naar de vergadering zonder enige macht over andere kerken dan hun eigen kerk—behalve de macht die expliciet beschreven staat in artikelen zoals 31, 36 en 79 K.O.. De ene kerk heeft dus geen eigen tuchtrecht over de andere, en daarom hebben haar afgevaardigden dat evenmin over die andere kerken. Alleen voor zover kerken door het aangaan van een kerkverband dit recht onderling over elkaar hebben overgedragen, bezitten de afgevaardigden dat tuchtrecht. Dit is echter niet een recht uit hoofde van hun ambt zoals binnen een kerkenraad, maar op basis van hun afvaardiging: in naam van de kerk of meerdere vergadering die hen heeft gedelegeerd.[18] De kerken en hun afgevaardigden hebben op de meerdere vergadering geen ander recht over elkaar dan wat zij bij onderlinge afspraak aan elkaar hebben toegekend. De aaneensluiting op zichzelf - los van die afspraak - geeft de ene kerk geen enkel recht om iets over de andere te zeggen te hebben. Het belang van dit beginsel is hierin gelegen dat artikel 85 K.O. impliceert dat de bevoegdheden van meerdere vergaderingen hun grondslag moeten hebben in de kerkorde zelf. De kerkorde kent geen bepaling die aan meerdere vergaderingen de bevoegdheid geeft om geloofsbrieven te weigeren wegens niet-nakoming van de kerkorde of kerkelijke besluiten, maar schrijft, ex artikel 33 K.O., enkel voor dat zij die naar de meerdere vergaderingen worden afgevaardigd, hun geloofsbrieven en instructies, ondertekend door hen die ze hebben afgevaardigd, behoren mee te brengen. Dat de lastbrief impliceert dat de lastgever de kerkelijke vergadering erkent, spreekt voor zich. Als derhalve blijkt dat de lastgever de vergadering niet erkent waarnaar zij wel afgevaardigden sturen, impliceert dit dat de lastgevers door de vergadering te nemen besluiten op voorhand niet aanvaardt. Dat betekent dat de lastgever het stemrecht van eigen afgevaardigde niet erkent.

Dat een vergadering onder die omstandigheden geen stemrecht verleent aan dergelijke afgevaardigden, berust niet op een bevoegdheid om geloofsbrieven als tucht- of ordemaatregel te weigeren, maar vloeit voort uit het feit dat de lastgever de legitimiteit van de vergadering zelf niet erkent. Los daarvan, het weigeren van geloofsbrieven komt neer op het ontnemen van stemrecht van afgevaardigden. Echter, het zijn niet de kerkenraden, maar de kerken die vertegenwoordigd worden op meerdere vergaderingen. Daarmee worden individuele kerkleden van die gemeenten niet meer vertegenwoordigd tijdens de kerkelijke vergadering. Daarmee worden kerkleden door de macht van een meerderheid van kerken, zonder enige rechtswaarborg, in feite binnen het kerkverband geschorst. Voor zover Van Driel wil suggereren dat KOKR de kerkorde en kerkelijke besluiten zou afzwakken, berust dat op een verkeerde lezing van zijn notitie. Evenmin moet de notitie van KOKR over het aanvaarden van geloofsbrieven uit haar verband worden getrokken. Immers, dat het niet trouw nakomen van de kerkorde ongeoorloofd is, betekent niet dat het ook tuchtwaardig is in de zin van de kerkorde. Het feit dat een bepaalde niet-nakoming van kerkordelijke bepalingen op zichzelf niet tuchtwaardig is, omdat de aard van de tucht en de kerkordelijke bepalingen over vermaan en tucht zich daartegen verzetten, betekent niet dat daarmee kerkordelijke bepalingen niet afdwingbaar zouden kunnen zijn. Evenmin ontkent of betwist KOKR in zijn notitie dat de kerkelijke vergaderingen bepalen wanneer Schrift en belijdenis in het geding zijn en of en hoe zij de kerkorde wil handhaven. Echter, ook Van Driel weet dat ook deze bevoegdheden hun gegeven zijn door de kerken in de kerkorde en dat zij hun bevoegdheden uitsluitend kunnen gebruiken op de wijze die de kerkorde voorschrijft. Door te suggereren - zonder enige nadere onderbouwing - dat KOKR deze bevoegdheden van kerkelijke vergaderingen zou miskennen, trekt hij de aard, inhoud en bedoeling van de notitie uit hun verband. Daarmee schept Van Driel een doembeeld dat niet op feiten is gebaseerd. En dat is zorgwekkend, want dat bevordert de vrede binnen de kerken niet. En dat past niet in de kerk, want onze God is geen God van wanorde, maar van vrede.

________________
[1] Van Driel, C. M. (z.d.). Crisis door nieuw kerkrecht: Over geloofsbrieven in de geschiedenis. Ambtelijk Contact, 
 65(2), 23–27. Ambtelijk Contact is een studieblad ten dienste van ouderlingen en diakenen van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. 
[2] Acta 1837, Art. 68, lid 5; p. 32 
[3] Acta 1837, Art. 76; p. 38–39 
[4] Acta 1840, p.201
[5] idem
[6] idem
[7] Acta 1843, p.276
[8] Acta 1846, 385
[9] idem
[10] Acta 1840, artikel 74
[11] Acta 1840, artikel 75
[12] Acta 1840, artikel 76
[13] Acta 1846, artikel 15 , p. 387-388
[14] Acta 1849, 
[15] Acta 1851, p. 509-511
[16] https://www.vie-publique.fr/discours/128855-communique-de-la-presidence…;  
 -du-2-octobre-1987; 
[17] Greijdanus, S. (Ref. 18:31). (z.d.). https://kerkrecht.nl/node/5301/
[18] Greijdanus, S. (Ref. 18:35). (z.d.). https://kerkrecht.nl/node/5305/

Reactie toevoegen

De taalcode van de reactie.
Protected by Spam Master